1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50


1En Israël verreisde1) met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan den God van3) zijn vader Izak.
2En God sprak tot Israël in gezichten4) des nachts, en zeide: Jakob, Jakob!5) En hij zeide: Zie, hier6) ben ik!
3En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet7) van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten.
4Ik zal met u aftrekken8) naar Egypte en Ik zal u9) doen weder optrekken, mede optrekkende; en Jozef10) zal zijn hand op uw ogen leggen.
5Toen maakte zich Jakob op van Ber-seba; en de zonen van Israël voerden Jakob hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Farao gezonden had, om hem te voeren.
6En zij namen hun vee, en hun have, die zij in het land Kanaan geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem;
7Zijn zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijn dochteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte.
8En dit zijn de12) namen der zonen13) van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben.
9En de zonen van Ruben: Hanoch,14) en Pallu, en Hezron, en Karmi.
10En de zonen van Simeon: Jemuel,15) en Jamin, en Ohad,16) en Jachin,17) en Zoar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische19) vrouw.
11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.
12En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren20) gestorven in het land van Kanaan; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
13En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job,21) en Simron.
14En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.
15Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram,22) met Dina zijn dochter; al de zielen23) zijner zonen en zijner dochteren waren drie en dertig.24)
16En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi,26) en Areli.
17En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.
18Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had;27) en zij baarde Jakob deze zestien zielen.28)
19De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw:29) Jozef en Benjamin.
20En Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraim, die hem Asnath, de dochter30) van Potifera, den overste te On, baarde.
21En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naaman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.
22Dit zijn de zonen van Rachel, die Jakob geboren zijn, al te zamen veertien zielen.
23En de zonen 31)van Dan: Chusim.32)
24En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.
25Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had; en zij baarde dezelve Jakob, zij waren allen zeven zielen.
26Al de zielen, die met Jakob in33) Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten,34) uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en35) zestig zielen.
27En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig.36)
28En hij zond Juda voor zijn aangezicht heen tot Jozef, om voor zijn37) aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen.38)
29Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israël tegemoet naar Gosen; en als hij zich39) aan hem vertoonde, zo viel hij40) hem aan zijn hals, en weende lang aan41) zijn hals.
30En Israël zeide tot Jozef: Dat ik nu sterve,42) nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog43) leeft!
31Daarna zeide Jozef tot zijn broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaan waren, zijn tot mij gekomen.
32En die mannen zijn schaapherders; want het zijn mannen, die44) met vee omgaan; en zij hebben hun schapen, en hun runderen, en al wat zij hebben, medegebracht.
33Wanneer het nu geschieden zal, dat Farao ulieden zal roepen, en zeggen: Wat is uw hantering?
34Zo zult gij zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat gij in het land Gosen moogt wonen; want alle schaapherder is de Egyptenaren een gruwel.45)