1) vs 2; des morgens
Want Sauls trawanten meenden hem des morgens te doden, vs. 11. Anders, tot morgen, want middelertijd had Jonathan voorgenomen met Saul voor David ten beste te spreken, en te vernemen of Saul nog volhardde in zijn boos voornemen.
 
2) vs 3; op het veld
Anders, in het veld.
 
3) zien wat het zij
Of: vernemen, of: merken.
 
4) vs 4; zondige niet tegen zijn knecht David
Te weten hem ongelijk doende, en hem dus dodelijk vervolgende.
 
5) vs 5; hij heeft zijn ziel in zijn hand gezet
Hij wil zeggen: Hij heeft zijn leven gewaagd en zichzelven in doodsgevaar gesteld. Zie gelijke manier van spreken onder, 1 Sam. 28:21; Richt. 12:3.
 
6) den Filistijn geslagen
Anders, de Filistijnen. Zie boven, 1 Sam. 18:6.
 
7) vs 6; hij zal niet gedood worden
Te weten, door mijn bevel. Zodat Saul hier van zijn voornemen, vs. 1, afstand doet. Hebreeuws, indien hij gedood wordt!. Zie de aantekeningen bij Gen. 14:23.
 
8) vs 7; hij was voor zijn aangezicht
Dat is, hij kwam aan het hof, en bediende zijn ambt, gelijk hij tevoren gedaan had.
 
9) vs 10; David aan den wand te spitten
Zie boven, 1 Sam. 18:11.
 
10) vs 11; morgens doodden
Zie boven, vs. 2.
 
11) ziel dezen nacht niet behoedt
Dat is, uzelven, uw persoon, uw leven.
 
12) vs 12; door een venster neder
Want de deuren waren bezet met de knechten van Saul.
 
13) vs 13; een beeld
Hebreeuws, terafim; gelijk onder, vs. 16.
 
14) een geitenvel
Kwanswijs of het Davids haar ware.
 
15) vs 14; halen
Anders, te vangen. Hebreeuws, te nemen.
 
16) vs 15; bezien
Dat is, te bezoeken, kwanswijs, alsof zij hem uit vriendschap in zijn ziekte kwamen bezoeken. Doch voornamelijk om te zien, of hij in der waarheid ziek was, of dat hij zich ziek hield, en in alle geval hem mede te nemen.
 
17) vs 17; Toen zeide Saul tot Michal
Te weten, nadat de boden Saul hadden verteld wat hun wedervaren was.
 
18) waarom zou ik u doden?
Zij wil zeggen dat David gedreigd had haar te doden, indien zij hem niet liet gaan. Zie gelijke manier van spreken in 2 Sam. 2:22.
 
19) vs 18; hij kwam tot Samuël te Rama
Te weten, om raad te vragen wat hij doen zou, en ook vermoedende dat hij daar vrijer dan ergens anders wezen zou in het gezelschap van Samuël en de andere profeten, die zelf te Gibea, onaangezien de Filistijnen aldaar hun garnizoen hadden, vrij waren, zie 1 Sam. 10:10.
 
20) Najoth
Dit is een plaats, waar de profeten, een collegium of school hadden, bij Rama gelegen, waar Samuël zijn woning had.
 
21) vs 19; bij Rama
Alzo wordt de Hebreeuwse letter Beth klaarlijk genomen, Joz. 5:13, enz.
 
22) vs 22; halen
Zie vs. 14.
 
23) zagen een vergadering van profeten
Hebreeuws, zag; dat is, elk een derzelver zag.
 
24) profeterende
Dat is, God lovende en zijn naam groot makende met gebeden en lofzangen.
 
25) profeteerden ook
Dat is, zij stelden zich aan gelijk de profeten deden als zij profeteerden. Zie boven, 1 Sam. 18:10.
 
26) vs 22; Sechu was
Zie van deze stad de aantekeningen bij 1 Sam. 17:1.
 
27) vs 24; hij toog zelf ook zijn klederen uit
Dat is, hij legde zijn koninklijke of krijgsmans opperkleding af, met welke hij gekomen was om David te vangen.
 
28) hij viel
Versta, dat hij gelijk als in een verrukking van zinnen is gevallen, gelijk zulks somtijds den profeten is wedervaren. Zie Num. 24:4. Of, hij viel neder, gelijk de anderen in het bidden zich tegen de aarde strekkende, zich alzo tezamen voor den Heere verootmoedigende.
 
29) bloot neder dienzelfden gansen dag
Of, naakt. Versta dit alzo, dat hij zich ontbloot heeft van zijn koninklijk, of opperkleed, of van zijn krijgsmanskleed. Zie dergelijk bij Jes. 20:2; Micha 1:8.
 
30) Is Saul ook onder de profeten?
Zie boven, 1 Sam. 10:12, Hier past dit spreekwoord op diegenen, die van God wonderbaarlijk in hun voornemen verhinderd worden, gelijk Saul hier wedervaren is. Zie dergelijke geschiedenis in Num. 23:24, Bileam; en in Hand. 9, Saul.