1)den derden dag
Te weten, nadat David uit het leger der Filistijnen gescheiden was, want zo ver lag wel het leger der Filistijnen [waar David met zijn mannen geweest was] van de stad Ziklag, gelijk af te nemen is uit 2 Sam. 1:2.
 
2)de Amalekieten
Versta, de overgebleven Amalekieten, die ontkomen waren toen Saul die sloeg, 1 Sam. 15:7. Of dit is te verstaan van de Amalekieten, die ergens in een andere streek of hoek lands woonden dan die, welke door Saul zijn uitgeroeid. Dezen hebben hun ouden haat tegen de Israëlieten getoond.
 
3)geslagen,
Dat is, geruïneerd en de inwoners kwalijk gehandeld. Zie Ezech. 33:21.
 
4)kleinste
Anders, kleinen, groten.
 
5)den grootste,
Anders, kleinen, groten.
 
6)huisvrouw van Nabal,
Zie de aantekeningen 1 Sam. 27:3.
 
7)de zielen van het ganse volk
Hebreeuws, de ziel des gansen volks was bitter; dat is, zij waren van harte bedroefd, daartoe met bitterheid en gramschap ingenomen tegen David, hem de schuld gevende dat zij van hun vrouwen en kinderen beroofd waren door de Amalekieten; daartoe zijnde bewogen geworden, omdat David hen eerst vijandelijk aangetast en geslagen had, 1 Sam. 27:8.
 
8)over zijn zonen en over zijn dochteren;
Of, vanwege.
 
9)David sterkte zich in den HEERE, zijn God.
Vertrouwende op de beloften en toezeggingen, die God hem gedaan had, dat hij koning worden zou. Zie de aantekeningen boven, 1 Sam. 23:16.
 
10)Breng mij toch den efod hier.
Dat is, trek den efod aan om mijnentwil, opdat gij daardoor den Heere raad vraagt. Zie Num. 27:21, en boven, 1 Sam. 23:9.
 
11)deze bende achternajagen?
Hij verstaat de Amalekieten, alook 1 Sam. 30:15.
 
12)de overigen staan.
Te weten, twee honderd mannen, die zo moede waren dat zij niet volgen konden, 1 Sam. 30:10.
 
13)zij vonden een Egyptischen man
Te weten, de mannen, die bij David waren.
 
14)zij brachten hem tot David;
Hebreeuws, zij namen hem tot David; dat is, zij namen en brachten. Zie de aantekeningen Gen. 12:15.
 
15)geest kwam weder
Dat is, hij die flauw en amechtig was en van honger schier versmacht, werd door de spijs verkwikt. Zodat het woord geest hier betekent ademing.
 
16)in hem;
Anders, tot hem.
 
17)brood gegeten, noch water gedronken.
Dat is, spijs.
 
18)de Cherethieten,
Dat is, der Filistijnen, gelijk men kan afnemen uit 1 Sam. 30:16. Aldus worden de Filistijnen ook genaamd Ezech. 25:16; Zef. 2:5.
 
19)tegen het zuiden van Kaleb;
Dat is, tegen het zuiden des lands, waar de nakomelingen van Kaleb woonden. Zie Joz. 14:13, en Joz. 15:13.
 
20)dat gij mij niet zult doden,
Hebreeuws, zo gij mij zult doden, en zo gij mij zult overleveren, enz. Zie van zulke eedzweren, Gen. 14:23. De zin is: Dat gij mij niet zult doden, of dat, enz. Vergelijk boven, 1 Sam. 24:22, enz.
 
21)het land van Juda.
Daaronder behoorde nu Ziklag en het land van Kaleb.
 
22)de schemering
Het Hebreeuwse woord, dat hier gebruikt wordt, gelijk ook ons woord schemering, betekent zowel de avond- al de morgenschemering. Sommigen menen dat David dit volk in de avondschemering heeft aangevallen [want hij vond hen etende, drinkende en dansende, hetwelk gemeenlijk des avonds, niet met het aanbreken van den dag geschiedt], houden ook dat David, zijnde maar vier honderd man sterk, liever de duisternis van den nacht heeft waargenomen, om deze grote menigte te overvallen in hun dronkenschap en vreugde, dan de schemering van den morgenstond, toen de dag aankwam. Anderen nochtans nemen het hier voor de schemering des morgens, achtende dat David en zijn mannen des avonds te moede waren om een aanval op hun vijanden te doen.
 
23)tot aan den avond
Dat is, des avonds van den anderen dag, in welken David met zijn mannen was uitgetogen.
 
24)zij dreven ze
Te weten, de mannen van David.
 
25)voor datzelve vee heen,
Dat is, voor het vee, dat hun van de Amalekieten was ontnomen geweest.
 
26)Dit is Davids buit.
Dat is, die David toebehoort, daarom heeft hij ook daarvan weggeschonken waar en aan wie het hem beliefde. Zie onder, 1 Sam. 30:26.
 
27)de tweehonderd mannen kwam,
Zie boven, 1 Sam. 30:9,10.
 
28)hij vraagde hen naar den welstand.
Dat is, hij groette hen vriendelijk, en vraagde hun of het hun al welging.
 
29)Toen antwoordde een ieder boos
Te weten, als men begon te spreken van den buit te delen.
 
30)met ons niet getogen zijn,
Hebreeuws, met mij.
 
31)met hetgeen ons de HEERE gegeven heeft,
Te weten, met den buit, welken wij gekregen hebben, niet door onze eigen macht, maar dien ons de Heere gegeven heeft.
 
32)zij zullen gelijkelijk delen.
Dat is, de mannen, die achtergebleven zijn en die bij de bagage gebleven zijn, zullen alzo wel hun deel van den buit hebben als die, welke met mij voortgetogen zijn. Hierin volgt David de ordinantie Gods, Num. 31:27, en ook de redelijkheid en billijkheid. Zie Joz. 22:8, en 2 Mach. 8:28.
 
33)voortaan alzo geweest;
Anders, boven, of opwaarts. Hetwelk sommigen verstaan van den voorgaanden tijd; zulks dat het hier van David weder in het gebruik gebracht en vastgezet is.
 
34)tot op dezen dag.
De rede zou aldus vol zijn: hetwelk duurt tot op dezen dag.
 
35)zijn vrienden,
Dat is, degenen, die hem getrouw bleven in deze zijn zware vervolging.
 
36)een zegen voor ulieden,
Dat is, een geschenk. Zie Gen. 33:11.
 
37)Beth-el,
Anders, degenen, die in het huis Gods waren; te weten, te Kiriath-Jearim, waar de ark des verbonds was; 1 Sam. 6:21, en 1 Sam. 7:1.
 
38)Ramoth
Deze stad lag in het erfdeel van den stam Simeons, Joz. 19:8 en zij lag in het zuider kwartier van het land Kanaän, en is alzo onderscheiden van andere steden, die ook Ramah heetten, als Ramoth in Gilead, 1 Kon. 22:3.
 
39)Jather,
Een stad, gelegen in den stam van Juda, op het gebergte; Joz. 15:48.
 
40)Aroer,
Deze stad lag aan de beek Arnon, den stam van Ruben gegeven. Zie Deut. 3:12; Joz. 13:16.
 
41)Sifmoth,
Anders genoemd Sefam; Num. 34:10.
 
42)Esthemoa,
Een stad, gelegen in den stam van Juda, Joz. 15:50, anders genoemd Eschtemo. Zij was den kinderen Aärons gegeven, 1 Kron. 6:57.
 
43)Jerahmelieten
Zie de aantekeningen boven, 1 Sam. 27:10.
 
44)Kenieten waren.
Zie van deze Richt. 1:16.
 
45)Horma,
Anders, Zefat. Zie Richt. 1:17.
 
46)Chor-asan,
Dit schijnt dezelfde stad te zijn, die Joz. 19:7 alleen Asan genoemd wordt, gelegen in den stam Simeons.
 
47)Hebron,
Zie van deze stad Gen. 23:2 in de aantekeningen.
 
48)waar David gewandeld had,
Dat is, waar David zich somwijlen met zijn volk onthouden had, als hij voor Saul heeft moeten vluchten. David is dankbaar geweest jegens diegenen, die hem met de zijnen geherbergd en goed gedaan hebben.