1)in dezelfde
Namelijk als de apostelen in de gevangenis geworpen waren geweest.
 
2)der Grieksen
Grieks Hellenistai. Dezen waren Joden van afkomst en godsdienst, maar werden Grieksen genaamd, omdat zij in de verstrooiing in de Griekse of heidense landen geboren waren, en omdat zij de Griekse taal en overzetting des Bijbels gebruiken, die daarna bekeerd zijn tot de Christelijke religie. Zie Hand. 9:29, en Hand. 11:19,20. Doch de andere Joden, die den Hebreeuwsen Bijbel gebruikten, werden HebreŽn genaamd. Zie ook 2 Cor. 11:22.
 
3)bediening
Grieks Diakonia; klagende, namelijk òf dat hunne weduwen tot den dienst der armen niet mede gebruikt werden, òf dat hun arme weduwen zo wel niet verzorgd werden als de weduwen der HebreŽn.
 
4)verzuimd werden.
Grieks overgezien.
 
5)behoorlijk, dat
Grieks behagelijk; dat is, ene zaak, die ons niet kan behagen.
 
6)nalaten, en
Namelijk omdat wij verhinderd zijnde door de bediening der armen, het prediken van Gods Woord, waartoe wij voornamelijk geroepen zijn, zo dikwijls en zo bekwamelijk niet kunnen waarnemen.
 
7)tafelen dienen.
Namelijk aan welken het geld en de spijs tot onderhoud der armen gebracht en uitgedeeld werd, of ook de vriendelijke maaltijden en het Avondmaal onder de Christenen gehouden werden; Hand. 2:46.
 
8)Ziet dan om,
Dat is, kiest zeven mannen uit tot den dienst.
 
9)des Heiligen
Dat is, der gaven van den Heiligen Geest, nodig om zulken dienst met getrouwheid en voorzichtigheid uit te voeren.
 
10)stellen over
Dat is, instellen.
 
11)volharden in
Dat is, gedurig en sterk aanhouden; Hand. 1:14.
 
12)dit woord behaagde
Of, deze zaak. HebreŽn.
 
13)al de menigte;
Grieks voor al de menigte.
 
14)zij verkoren
De verkiezing geschiedde door de gemeente, en de instelling door bevestiging bij de apostelen, Hand. 6:6.
 
15)Stefanus, een
Deze naam, alsook de zes volgende, zijn allen Griekse namen; waaruit enigen besluiten dat om de klachten van de Grieksen te beter weg te nemen, goedgevonden is de diakenen te verkiezen uit de Griekse Joden.
 
16)des geloofs
Of, getrouwheid, die in dit ambt voornamelijk vereist wordt.
 
17)Filippus,
Van dezen zie breder Hand. 8,21.
 
18)Nicolaus,
Sommige oude leraars menen dat deze is geweest dezelfde Nicolaus, waarvan men leest Openb. 2:15; doch dit is onzeker.
 
19)een Jodengenoot
Grieks Proselytos; dat is, een aankomeling uit de heidenen tot den Joodsen godsdienst. Zie Matth. 23:15.
 
20)dezen, als
Namelijk apostelen. Zie dergelijke Hand. 8:17.
 
21)legden hun
Deze manier van oplegging der handen was bij de Joden gebruikelijk, als zij iemand zegenden, Gen. 48:14, als zij de beesten zouden opofferen om daarmede dezelve Gode als toe te eigenen, Lev. 1:4, en in het inhuldigen in ambten, Num. 27:18; Deut. 34:9. Dezelfde manier heeft ook Christus gebruikt in het zegenen, Matth. 19:13, en de gemeente in het instellen van kerkedienaren, om daarmede dezelven Gode tot zijnen dienst toe te eigenen en den zegen Gods toe te wensen. Zie 1 Tim. 5:22. Ook de apostelen in het geven der buitengewone gaven des Heiligen Geestes; Hand. 8:17.
 
22)wies, en het
Dat is, nam toe, ten aanzien van de veelheid zo der plaatsen waar het gepredikt werd, als der personen die het aannamen; Hand. 12:24.
 
23)priesteren werd
Namelijk der gemene priesters, die zeer velen onder de Joden waren, Ezra 2:36, waarvan een goed deel bekeerd werden; want meestal waren en bleven de overpriesters de heftigste vijanden der leer van het Evangelie.
 
24)gelove gehoorzaam.
Dat is, de leer des geloofs; Gal. 1:23.
 
25)geloof en
Hier wordt het woord geloof anders genomen dan in Hand. 6:7; namelijk zo voor kennis en toestemming der leer, als voor een vast betrouwen op de Evangelische beloften.
 
26)kracht, deed
Dat is, der uitnemende gaven des Heiligen Geestes, waardoor Hij krachtig onder de mensen werkt.
 
27)synagoge, genaamd
Binnen de grote stad Jeruzalem waren vele synagogen en scholen, die alle met haar bijzondere namen onderscheiden werden, gelijk hedendaags bij ons de collegiŽn in Universiteiten.
 
28)Libertijnen,
Dit is geweest, zo het schijnt, een synagoge van Italiaanse Joden. Want de Italianen en Latijnen noemen Liberijnen degenen, die slaven geweest zijnde, in vrijheid zijn gesteld. Pompejus, de stad Jeruzalem vermeesterd hebbende, had vele Joden tot slaven weggevoerd naar Rome, welker nakomelingen, gleijk Philo getuigt, door den keizer Tiberius meest allen in vrijheid gesteld zijn, en is hun toegelaten een deel van de stad Rome over den Tiber te bewonen en daar synagogen te bouwen. Zodat deze Joden, zijnde Libertijnen, schijnen te Jeruzalem mede ene synagoge gehad te hebben, naar hunne gelegenheid genoemd.
 
29)Cyreneers, en
Dat is, Joden, die in Afrika woonden in de stad Cyrene, gelegen in LybiŽ.
 
30)Alexandrijnen,
Dat is, Joden, die te AlexandriŽ in Egypte woonden, en die te Jeruzalem waren.
 
31)twistten met
Dat is, disputeerden met Stefanus over het stuk van den godsdienst.
 
32)wederstaan de
Dat is, niet overwinnen. Zie Matth. 10:19; Luk. 21:15.
 
33)maakten zij
Grieks wierpen zij daaronder. Als zij met waarheid niet vermochten, keerden zij zich tot de valsheid. Zie dergelijke Matth. 26:59.
 
34)stelden valse
Namelijk tegen hem in den Raad.
 
35)deze heilige
Namelijk Jeruzalem, of den tempel of beide.
 
36)deze Jezus, de
Stefanus had niet gezegd dat Jezus zelf dat doen zou, maar dat door zijn oordeel en besturing dit van de heidenen zou gedaan worden; Luk. 19:43.
 
37)verbreken, en
Dit is ook alzo geschied omtrent veertig jaren daarna door de Romeinen. Zo had hij dan anders niet dan de waarheid gezegd.
 
38)de zeden
Dat is, de wet der ceremoniŽn, en die eigenlijk den staat der Joden aanging, hetwelk ook de waarheid was.
 
39)het aangezicht
Dat is, blinkende, of stralen van zich gevende. Want met zodanige aangezichten plachten de engelen te verschijnen; Matth. 28:3.