1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22


1En Benhadad, de koning van Syrie,1) vergaderde al zijn macht; en twee en dertig2) koningen waren met hem, en paarden en wagenen; en hij toog op, en belegerde Samaria en krijgde tegen haar.
2En hij zond boden tot Achab, den koning van Israël, in de stad.
3En hij zeide hem aan: Zo zegt Benhadad: Uw zilver en uw goud, dat is mijn, daartoe uw vrouwen en uw beste kinderen, die zijn mijn.3)
4En de koning van Israël antwoordde en zeide: Naar uw woord, mijn heer de koning, ik ben uwe,4) en al wat ik heb.
5Daarna kwamen de boden weder, en zeiden: Alzo spreekt Benhadad, zeggende: Ik heb wel5) tot u gezonden, zeggende: Uw zilver, en uw goud, en uw vrouwen, en uw kinderen zult gij mij geven;
6Maar morgen om dezen tijd zal ik mijn knechten tot u zenden, dat zij uw huis en de huizen uwer knechten6) bezoeken; en het zal geschieden, dat zij al het begeerlijke7) uwer ogen in hun handen leggen en wegnemen zullen.
7Toen riep de koning van Israël alle oudsten8) des lands, en zeide: Merkt toch en ziet, dat deze het kwade9) zoekt; want hij had tot mij gezonden, om mijn vrouwen, en om mijn kinderen, en om mijn zilver, en om mijn goud, en ik heb het hem niet geweigerd.10)
8Doch al de oudsten, en het ganse volk, zeiden tot hem: Hoor niet, en bewillig niet.
9Daarom zeide hij tot de boden van Benhadad: Zegt mijn heer den koning: Alles, waarom gij11) in het eerst tot uw knecht gezonden hebt, zal ik doen; maar deze zaak kan ik niet doen. Zo gingen de boden heen en brachten hem bescheid12) weder.
10En Benhadad zond tot hem en zeide: De goden13) doen mij zo, en doen zo daartoe, indien14) het stof van Samaria genoeg zal zijn tot handvollen voor al het volk, dat mijn voetstappen15) volgt!
11Maar de koning van Israël antwoordde en zeide: Spreekt tot hem: Die zich aangordt,16) beroeme zich niet, als die zich los maakt.
12En het geschiedde, als hij dit woord hoorde, daar hij was drinkende, hij en de koningen in de tenten, dat hij zeide tot zijn knechten: Legt aan!17) En zij legden aan tegen de stad.
13En ziet, een profeet trad tot Achab, den koning van Israël, en zeide: Zo zegt de HEERE: Hebt gij gezien al deze grote menigte? Zie, Ik zal ze heden in uw hand geven, opdat gij weet,18) dat Ik de HEERE ben.
14En Achab zeide: Door wie? En hij zeide: Zo zegt de HEERE: Door de jongens19) van de oversten der landschappen. En hij zeide: Wie zal den strijd aanbinden?20) En hij zeide: Gij.
15Toen telde hij de jongens van de oversten der landschappen, en zij waren tweehonderd twee en dertig; en na hen telde hij al het volk, al de kinderen Israëls, zeven duizend.
16En zij togen uit op den middag. Benhadad nu dronk zich dronken in de tenten, hij en de koningen, de twee en dertig koningen, die hem hielpen.
17En de jongens van de oversten der landschappen togen eerst uit. Doch Benhadad21) zond enigen uit, en zij boodschapten hem, zeggende: Uit Samaria zijn mannen uitgetogen.
18En hij zeide: Hetzij dat zij tot vrede uitgetogen zijn, grijpt hen levend; hetzij ook, dat zij ten strijde uitgetogen zijn, grijpt hen levend.
19Zo togen deze jongens van de oversten der landschappen uit de stad, en het heir, dat hen navolgde.22)
20En een ieder23) sloeg zijn man, zodat de Syriers vloden, en Israël jaagde hen na. Doch Benhadad, de koning van Syrie, ontkwam op een paard, met enige ruiteren.
21En de koning van Israël toog uit, en sloeg paarden en wagenen, dat hij een groten slag aan de Syriers sloeg.
22Toen trad die profeet24) tot den koning van Israël, en zeide tot hem: Ga heen, sterk u; en bemerk, en zie, wat gij doen zult;25) want met de wederkomst des jaars26) zal de koning van Syrie tegen u optrekken.
23Want de knechten27) van den koning van Syrie hadden tot hem gezegd:28) Hun goden zijn berggoden,29) daarom zijn zij sterker geweest dan wij; maar zeker, laat ons tegen hen op het effen veld strijden, zo wij niet30) sterker zijn dan zij!
24Daarom doe deze zaak: Doe de koningen weg,31) elkeen uit zijn plaats,32) en stel landvoogden33) in hun plaats.
25En gij, tel u een heir, als dat heir, dat van de uwen34) gevallen is,35) en paarden, als die paarden, en wagenen, als die wagenen; en laat ons tegen hen op het effen veld strijden, zo wij niet36) sterker zijn dan zij! En hij hoorde naar hun stem, en deed alzo.
26Het geschiedde nu met de wederkomst des jaars, dat Benhadad de Syriers monsterde; en hij toog op naar Afek,37) ten krijge tegen Israël.
27De kinderen Israëls werden ook gemonsterd, en waren verzorgd38) van leeftocht, en trokken hun tegemoet; en de kinderen Israëls legerden zich tegenover hen, als twee blote39) geitenkudden, maar de Syriers vervulden het land.
28En de man Gods40) trad toe, en sprak tot den koning van Israël, en zeide: Zo zegt de HEERE: Daarom dat de Syriers gezegd hebben: De HEERE is een God der bergen, en Hij is niet een God der laagten; zo zal Ik al deze grote menigte in uw hand geven, opdat gijlieden41) weet, dat Ik de HEERE ben.
29En dezen waren gelegerd tegenover die, zeven dagen; het geschiedde nu op den zevenden dag, dat de strijd aanging; en de kinderen Israëls sloegen van de Syriers honderd duizend voetvolks op een dag.
30En de overgeblevenen vloden naar Afek42) in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vlood Benhadad, en kwam in de stad van kamer43) in kamer.
31Toen zeiden de knechten tot hem: Zie toch, wij hebben gehoord, dat de koningen van het huis Israëls goedertierene44) koningen zijn; laat ons toch zakken om onze lenden45) leggen, en koorden46) om onze hoofden, en uitgaan tot den koning van Israël; mogelijk zal hij uw ziel47) in het leven behouden.
32Toen gordden zij zakken om hun lenden, en koorden om hun hoofden, en kwamen tot den koning van Israël, en zeiden: Uw knecht Benhadad zegt: Laat toch mijn ziel leven. En hij zeide: Leeft hij dan nog? Hij is mijn broeder.48)
33De mannen nu namen naarstiglijk waar, en vatten het haastelijk, of het van hem ware, en zeiden: Uw broeder Benhadad leeft. En hij zeide: Komt, brengt hem. Toen kwam Benhadad tot hem uit, en hij deed hem op den wagen klimmen.
34En hij zeide49) tot hem: De steden,50) die mijn vader van uw vader genomen heeft, zal ik wedergeven, en maak u straten in Damaskus,51) gelijk mijn vader in Samaria gemaakt heeft. En ik, antwoordde Achab, zal u met dit verbond dan laten gaan. Zo maakte hij een verbond met hem, en liet hem gaan.
35Toen zeide een man uit de zonen52) der profeten tot zijn naaste, door het woord53) des HEEREN: Sla mij toch.54) En de man weigerde hem55) te slaan.
36En hij zeide tot hem: Daarom dat gij de stem des HEEREN niet gehoorzaam zijt geweest, zie, als gij van mij weggegaan zijt, zo zal u een leeuw slaan.56) En als hij van bij hem weggegaan was, zo vond hem een leeuw, die hem sloeg.
37Daarna vond hij een anderen man, en zeide: Sla mij toch. En die man sloeg hem, slaande en wondende.57)
38Toen ging de profeet heen, en stond voor den koning op den weg; en hij verstelde58) zich met as59) boven zijn ogen.60)
39En het geschiedde, als de koning voorbijging, dat hij tot den koning riep,61) en zeide: Uw knecht was uitgegaan in het midden des strijds; en zie, een man was afgeweken,62) en bracht tot mij een man, en zeide: Bewaar dezen man, indien hij enigszins63) gemist wordt, zo zal uw ziel in de plaats64) zijner ziel zijn, of gij zult een talent zilvers65) opwegen.66)
40Het geschiedde nu, als uw knecht hier en daar doende was, dat hij er niet was.67) Toen zeide de koning van Israël tot hem: Zo is uw oordeel;68) gij hebt zelf het geveld.
41Toen haastte hij zich, en deed de as af69) van zijn ogen; en de koning van Israël kende hem, dat hij een der profeten was.
42En hij zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Omdat gij den man,70) dien Ik verbannen heb, uit de hand hebt laten gaan, zo zal uw ziel in de plaats van zijn ziel zijn, en uw volk in de plaats van zijn volk.
43En de koning van Israël toog henen, gemelijk71) en toornig, naar zijn huis, en kwam te Samaria.