1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25


1In zijn dagen1) toog Nebukadnezar, de koning van Babel, op, en Jojakim werd zijn knecht2) drie jaren; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde tegen hem.
2En de HEERE zond tegen hem de benden3) der Chaldëen,4) en de benden der Syriers, en de benden der Moabieten, en de benden der kinderen Ammons, en zond hen tegen Juda, om dat te verderven, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst Zijner knechten,5) de profeten.6)
3Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel7) des HEEREN tegen Juda, dat Hij hen van Zijn aangezicht8) wegdeed, om de zonden van Manasse,9) naar alles, wat hij gedaan had;
4Als ook om het onschuldig bloed, dat hij vergoten had,10) zodat hij Jeruzalem met onschuldig bloed vervuld had; daarom wilde de HEERE niet vergeven.
5Het overige nu der geschiedenissen van Jojakim, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
6En Jojakim ontsliep11) met zijn vaderen; en zijn zoon Jojachin12) werd koning in zijn plaats.
7De koning nu13) van Egypte toog voortaan niet meer uit zijn land; want de koning van Babel had, van de rivier van Egypte14) af tot aan de rivier Frath,15) ingenomen al wat van den koning van Egypte was.
8Jojachin was achttien jaren oud,16) toen hij koning werd,17) en regeerde drie maanden18) te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Nehusta, een dochter van Elnathan, van Jeruzalem.
9En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader gedaan had.
10Te dier tijd19) togen de knechten van Nebukadnezar, den koning van Babel, naar Jeruzalem; en de stad werd belegerd.20)
11Zelfs kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, tegen de stad, als zijn knechten die belegerden.
12Toen ging Jojachin,21) de koning van Juda, uit tot den koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen22) in het achtste jaar zijner regering.23)
13En hij bracht24) van daar uit25) al de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings; en hij hieuw26) alle gouden vaten af,27) die Salomo, de koning van Israël, in den tempel des HEEREN gemaakt had, gelijk als28) de HEERE gesproken had.
14En hij voerde gans Jeruzalem weg,29) mitsgaders al de vorsten, en alle strijdbare helden,30) tien duizend gevangen, en alle timmerlieden en smeden;32) niemand werd overgelaten, dan het arme volk des lands.33)
15Zo voerde hij Jojachin weg naar Babel, mitsgaders des konings moeder, en des konings vrouwen, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen des lands bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel;
16En alle kloeke mannen tot zeven duizend, en timmerlieden en smeden tot een duizend, en alle helden, die ten oorlog34) geoefend waren; dezen bracht de koning van Babel gevankelijk naar Babel.
17En de koning van Babel maakte Mattanja, deszelfs oom,35) koning in plaats van hem, en veranderde36) zijn naam in Zedekia.37)
18Zedekia was een en twintig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamutal,38) een dochter van Jeremia, van Libna.
19En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat Jojakim39) gedaan had.
20Want het geschiedde, om den toorn40) des HEEREN tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht41) weggeworpen had. En Zedekia rebelleerde tegen den koning van Babel.