1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36


1Het geschiedde nu na dezen, dat de kinderen Moabs, en de kinderen Ammons, en het hen anderen1) benevens2) de Ammonieten, kwamen tegen Josafat ten strijde.
2Toen kwamen er, die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van gene zijde der zee,3) uit Syrie, en zie, zij zijn te Hazezon-Thamar,4) hetwelk is Engedi.
3Josafat nu vreesde, en stelde zijn aangezicht,5) om den HEERE6) te zoeken; en hij riep7) een vasten uit in gans Juda.
4En Juda werd vergaderd, om van den HEERE hulp te zoeken; ook kwamen zij uit alle steden van Juda, om den HEERE te zoeken.
5En Josafat stond8) in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis des HEEREN, voor het nieuwe voorhof.9)
6En hij zeide: O, HEERE, God onzer vaderen, zijt Gij niet de God in den hemel? Ja, Gij zijt de Heerser over alle koninkrijken der heidenen; en in Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand10) zich tegen U stellen kan.
7Hebt Gij niet, onze God, de inwoners dezes lands van voor het aangezicht van Uw volk Israël verdreven, en dat aan het zaad van Abraham,11) Uw liefhebber, tot in eeuwigheid12) gegeven?
8Zij nu hebben daarin gewoond, en zij hebben U daarin een heiligdom13) gebouwd voor Uw Naam,14) zeggende:
9Indien over ons enig kwaad komt, het zwaard des oordeels,15) of pestilentie, of honger, wij zullen voor dit huis, en voor Uw aangezicht staan, dewijl Uw Naam16) in dit huis is; en wij zullen uit onze benauwdheid tot U roepen, en Gij zult verhoren en verlossen.
10En nu, zie de kinderen Ammons, en Moab, en die van het gebergte Seir,17) door dewelken Gij Israël niet toeliet te trekken,18) als zij uit Egypteland togen, maar zij weken van hen, en verdelgden hen niet;
11Zie dan, zij vergelden19) het ons, komende om ons uit Uw erve, die Gij ons te erven gegeven hebt, te verdrijven.
12O, onze God, zult Gij geen recht20) tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen21) zijn op U.
13En gans Juda stond voor het aangezicht22) des HEEREN, ook hun kinderkens, hun vrouwen en hun zonen.
14Toen kwam23) de Geest des HEEREN24) in het midden der gemeente, op Jahaziel,25) den zoon van Zecharja, den zoon van Benaja, den zoon van Jehiel, den zoon van Matthanja, den Leviet, uit de zonen van Asaf;
15En hij zeide: Merkt op, geheel Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem, en gij, koning Josafat! Alzo zegt de HEERE tot ulieden: Vreest gijlieden niet, en wordt niet ontzet vanwege deze grote menigte; want de strijd26) is niet uwe, maar Gods.
16Trekt morgen tot hen af;27) ziet, zij komen op bij den opgang van Ziz;28) en gij zult hen vinden in het einde des dals,29) voor aan de woestijn van Jeruel.
17Gij zult in dezen strijd niet te strijden hebben; stelt uzelven, staat en ziet het heil des HEEREN30) met u, o Juda en Jeruzalem! Vreest niet, en ontzet u niet, gaat morgen uit, hun tegen, want de HEERE zal met u wezen.31)
18Toen neigde32) zich Josafat met het aangezicht ter aarde; en gans Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neder voor het aangezicht des HEEREN, aanbiddende den HEERE.
19En de Levieten uit de kinderen der Kahathieten,33) en uit de kinderen der Korahieten, stonden op, om den HEERE, den God Israëls, met luider stem34) ten hoogste35) te prijzen.
20En zij maakten zich des morgens vroeg op, en togen uit naar de woestijn van Thekoa; en als zij uittogen, stond Josafat en zeide: Hoort mij, o Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem! Gelooft in den HEERE, uw God, zo zult gij bevestigd worden; gelooft aan Zijn profeten,37) en gij zult voorspoedig zijn.
21Hij nu38) beraadslaagde zich met het volk, en hij stelde den HEERE zangers, die de heilige Majesteit39) prijzen zouden, voor de toegerusten40) uitgaande en zeggende: Looft den HEERE,41) want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid!
22Ter tijd nu, als aanhieven met een vreugdegeroep en lofzang, stelde de HEERE achterlagen42) tegen de kinderen Ammons, Moab, en die van het gebergte Seir, die tegen Juda gekomen waren; en zij werden geslagen.43)
23Want de kinderen Ammons en Moab stonden op44) tegen de inwoners van het gebergte Seir, om te verbannen en te verdelgen; en als zij met de inwoners van Seir een einde gemaakt hadden, hielpen zij de een den ander45) ten verderve.
24Als nu Juda tot den wachttoren46) in de woestijn gekomen was, wendden zij zich naar de menigte; en ziet, het waren dode lichamen, liggende op de aarde, en niemand47) was ontkomen.
25Josafat nu en zijn volk kwamen, om hun buit te roven, en zij vonden bij hen in menigte, zowel have en dode lichamen,48) als kostelijk gereedschap,49) en namen voor zich weg, totdat zij50) niet meer dragen konden; en zij roofden den buit drie dagen, want dies was veel.
26En op den vierden dag vergaderden zij zich in het dal van Beracha,51) want daar loofden zij den HEERE; daarom noemden zij den naam dierzelver plaats het dal van Beracha, tot op dezen dag.52)
27Daarna keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem weder, en Josafat in de voorspitse53) van hen, om wederom met blijdschap tot Jeruzalem te komen; want de HEERE had hen verblijd over hun vijanden.
28En zij kwamen te Jeruzalem, met luiten, en met harpen, en met trompetten, tot het huis des HEEREN.54)
29En er werd een verschrikking55) Gods over alle koninkrijken dier landen, als zij hoorden, dat de HEERE tegen de vijanden van Israël gestreden had.
30Alzo was het koninkrijk van Josafat stil; en zijn God gaf hem rust rondom henen.
31Zo regeerde Josafat over Juda; hij was vijf en dertig jaren oud,56) als hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azuba, een dochter van Silhi.
32En hij wandelde57) in den weg van zijn vader Asa, en hij week daarvan niet af, doende dat recht was in de ogen des HEEREN.
33Evenwel werden de hoogten niet weggenomen;58) want het volk had nog zijn hart59) niet geschikt tot den God zijner vaderen.
34Het overige nu der geschiedenissen van Josafat, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Jehu,60) den zoon van Hanani,61) die men hem62) optekenen deed in het boek der koningen63) van Israël.
35Doch na dezen vergezelschapte zich Josafat, de koning van Juda, met Ahazia, den koning van Israël; die handelde goddelooslijk in zijn doen.
36En hij vergezelschapte zich met hem, om schepen te maken, om naar Tharsis64) te gaan; en zij maakten de schepen te Ezeon-Geber.65)
37Maar Eliezer, de zoon van Dodava, van Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat gij u met Ahazia vergezelschapt hebt, heeft de HEERE uw werken verscheurd. Alzo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan.