1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36


1Achaz was twintig jaren1) oud, toen hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet2) dat recht was in de ogen des HEEREN, gelijk zijn vader David;
2Maar hij wandelde3) in de wegen der koningen van IsraŽl; daartoe maakte hij ook gegotene beelden voor de Baals.4)
3Dezelve rookte ook in het dal5) des zoons van Hinnom; en hij brandde6) zijn zonen in het vuur, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen IsraŽls uit de bezitting verdreven had.
4Ook offerde hij en rookte op de hoogten7) en op de heuvelen,8) mitsgaders onder alle groen geboomte.
5Daarom gaf hem de HEERE, zijn God,9) in de hand des konings van Syrie,10) dat zij hem sloeg13)en, en van hem gevankelijk wegvoerden een grote menigte van gevangenen, die zij te Damaskus11) brachten. En hij werd ook gegeven in de hand des konings van IsraŽl,12) die hem sloeg met een groten slag.
6Want Pekah, de zoon van Remalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op een dag, allen strijdbare mannen,14) omdat zij15) den HEERE, den God hunner vaderen, verlaten hadden.
7En Zichri, een geweldig man van Efraim, sloeg Maaseja, den zoon des konings,16) dood, en Azirkam, den huisoverste,17) mitsgaders Elkana, den tweede na den koning.
8En de kinderen IsraŽls voerden van hun broederen18) gevankelijk weg tweehonderd duizend, vrouwen, zonen en dochteren, en plunderden ook veel roofs van hen; en zij brachten den roof te Samaria.
9Aldaar nu was een profeet des HEEREN, wiens naam was Oded;19) die ging uit, het heir tegen, dat naar Samaria kwam, en zeide tot hen: Ziet, door de grimmigheid des HEEREN, des Gods uwer vaderen, over Juda, heeft Hij hen in uw hand gegeven, en gij hebt hen doodgeslagen in toornigheid, die20) tot aan den hemel raakt.21)
10Daartoe denkt gij22) nu de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen; zijt gij het niet23) alleenlijk? Bij ulieden zijn schulden24) tegen den HEERE, uw God.
11Nu dan, hoort mij, en brengt de gevangenen weder,25) die gij van uw broederen gevankelijk weggevoerd hebt; want de hitte van des HEEREN toorn is over u.
12Toen maakten zich mannen op26) van de hoofden der kinderen van Efraim, Azaria, de zoon van Johanan, Berechja, de zoon van Mesillemoth en Jehizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Hadlai, tegen degenen, die uit het heir kwamen.
13En zij zeiden tot hen: Gij zult deze gevangenen hier niet inbrengen,27) tot een schuld over ons tegen den HEERE;28) denkt gijlieden toe29) te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de hitte des toorns30) over IsraŽl is?
14Toen lieten de toegerusten31) de gevangenen en de roof voor het aangezicht der oversten en der ganse gemeente.
15De mannen nu, die met namen32) uitgedrukt zijn, maakten zich op, en grepen de gevangenen, en kleedden van den roof al hun naakten; en zij kleedden hen, en schoeiden hen, en spijsden hen, en drenkten hen, en zalfden hen,33) en voerden ze op ezelen, allen die zwak waren,34) en brachten hen te Jericho, de Palmstad,35) bij hun broederen; daarna keerden zij weder naar Samaria.
16Ter zelfder tijd36) zond de koning Achaz tot de koningen37) van Assyrie, dat zij hem helpen zouden.
17Daarenboven waren ook de Edomieten gekomen, en hadden Juda geslagen en gevangenen gevankelijk weggevoerd.
18Daartoe waren de Filistijnen in de steden der laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-Semes,38) en Ajalon,39) en Gederoth,40) en Socho41) en haar onderhorige plaatsen,42) en Timna43) en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden aldaar.
19Want de HEERE vernederde Juda, om der wille van Achaz, den koning IsraŽls; want hij had Juda afgetrokken,44) dat het gans zeer45) overtrad tegen den HEERE.
20En Tiglath-Pilneser,46) de koning van Assyrie,47) kwam tot hem; doch hij benauwde hem,48) en sterkte hem niet.
21Want Achaz nam een deel49) van het huis des HEEREN, en van het huis des konings en der vorsten, hetwelk hij den koning van Assyrie gaf; maar hij hielp hem niet.50)
22Ja, ter tijd, als men hem benauwde, zo maakte hij des overtredens tegen den HEERE nog meer; dit was de koning Achaz.51)
23Want hij offerde den goden van Damaskus,52) die hem geslagen hadden,53) en zeide: Omdat de goden der koningen van Syrie hen helpen, zal ik hun offeren, opdat zij mij ook helpen; maar zij waren hem tot zijn val,54) mitsgaders aan gans IsraŽl.
24En Achaz verzamelde de vaten van het huis Gods, en hieuw de vaten van het huis Gods in stukken, en sloot de deuren55) van het huis des HEEREN toe;56) daartoe maakte hij zich altaren in alle hoeken van Jeruzalem.
25Ook maakte hij in elke stad57) van Juda hoogten, om anderen goden58) te roken; alzo verwekte hij den HEERE, zijner vaderen God, tot toorn.
26Het overige nu der geschiedenissen, en al zijn wegen,59) de eerste en de laatste, ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Juda en IsraŽl.
27En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven der koningen van IsraŽl; en zijn zoon Jehizkia werd koning in zijn plaats.