1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36


1En Salomo begon het huis des HEEREN te bouwen te Jeruzalem, op den berg Moria,1) die zijn vader David gewezen was,2) in de plaats, die David toebereid had, op den dorsvloer van Ornan,3) den Jebusiet.
2Hij begon nu te bouwen in de tweede maand,4) op den tweeden dag, in het vierde jaar van zijn koninkrijk.
3En deze zijn de grondleggingen5) van Salomo, om het huis Gods te bouwen: de lengte in ellen, naar de eerste mate,6) was zestig ellen, en de breedte twintig ellen.
4En het voorhuis,7) hetwelk vooraan was,8) was in de lengte,9) naar de breedte van het huis, twintig ellen, en de hoogte10) honderd en twintig; hetwelk hij van binnen overtrok met louter goud.
5Het grote huis11) nu overdekte hij12) met dennenhout; daarna overtoog hij dat met goed goud; en hij maakte daarop palmen en ketenwerk.13)
6Hij overtoog ook het huis14) met kostelijke15) stenen tot versiering; het goud nu was goud van Parvaim.16)
7Daartoe overdekte hij aan het huis de balken, de posten en de wanden daarvan, en de deuren daarvan met goud; en hij graveerde cherubs aan de wanden.
8Verder maakte hij het huis van het heilige der heiligen,17) welks lengte, naar de breedte van het huis, was18) twintig ellen, en de breedte daarvan twintig ellen; en hij overtoog dat met goed goud, tot zeshonderd talenten.19)
9En het gewicht der nagelen was tot vijftig sikkelen20) gouds; en hij overtoog de opperzalen21) met goud.
10Ook maakte hij, in het huis van het heilige der heiligen, twee cherubim22) van uittrekkend23) werk, en hij overtoog die met goud.
11Aangaande de vleugelen der cherubim, hun lengte was twintig ellen; des enen vleugel24) was van vijf ellen, rakende aan den wand van het huis, en de andere vleugel van vijf ellen, rakende aan de vleugel des anderen cherubs.
12Insgelijks was de vleugel des anderen cherubs van vijf ellen, rakende aan den wand van het huis; en de andere vleugel was van vijf ellen, klevende aan den vleugel des anderen cherubs.
13De vleugelen dezer cherubim spreidden zich uit twintig ellen; en zij stonden op hun voeten, en hun aangezichten waren huiswaarts.25)
14Hij maakte ook den voorhang26) van hemelsblauw, en purper, en karmozijn, en fijn linnen; en hij maakte cherubs daarop.
15Nog maakte hij voor het huis twee pilaren, van vijf en dertig ellen27) in lengte; en het kapiteel, dat op derzelver hoofd was, was van vijf ellen.
16Ook maakte hij ketenen,28) als in de aanspraakplaats,29) en hij zette ze op de hoofden der pilaren; daartoe maakte hij honderd30) granaatappelen, en zette ze tussen de ketenen.
17En hij richtte de pilaren op voor aan den tempel, een ter rechterhand, en een ter linkerhand; en hij noemde den naam van den rechter Jachin,31) en den naam van den linker Boaz.