1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24


1En het geschiedde,1) als de koning in zijn huis zat,2) en de HEERE hem rust gegeven had van al zijn vijanden rondom,3)
2Zo zeide de koning tot den profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een cederen huis,4) en de ark Gods woont in het midden der gordijnen.5)
3En Nathan zeide tot den koning: Ga heen, doe al wat in uw hart is,6) want de HEERE is met u.
4Maar het gebeurde in denzelfden nacht, dat het woord des HEEREN tot Nathan geschiedde, zeggende:
5Ga, en zeg tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt de HEERE: Zoudt gij Mij een huis bouwen tot Mijn woning?8)7)
6Want Ik heb in geen huis gewoond, van dien dag af, dat Ik de kinderen Israëls uit Egypte opvoerde, tot op dezen dag; maar Ik heb gewandeld9) in een tent en in een tabernakel.
7Overal,10) waar Ik met al de kinderen Israëls heb gewandeld, heb Ik wel een woord gesproken met een der stammen Israëls, dien Ik bevolen heb11) Mijn volk Israël te weiden,12) zeggende: Waarom bouwt gij Mij niet een cederen huis?
8Nu dan, alzo zult gij tot Mijn knecht, tot David, zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen:13) Ik heb u genomen van de schaapskooi,14) van achter de schapen, dat gij een voorganger zoudt zijn over Mijn volk, over Israël.
9En Ik ben met u geweest, overal, waar gij gegaan zijt, en heb al uw vijanden voor uw aangezicht uitgeroeid; en Ik heb u een groten naam gemaakt, als den naam der groten, die op de aarde zijn.
10En Ik heb voor Mijn volk,15) voor Israël, een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats wone,16) en niet meer heen en weder gedreven worde; en de kinderen der verkeerdheid17) zullen hem niet meer verdrukken,18) gelijk als in het eerst.19)
11En van dien dag af, dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël. Doch u heb Ik rust gegeven van al uw vijanden. Ook geeft u de HEERE te kennen, dat de HEERE u een huis maken zal.
12Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en gij met uw vaderen zult ontslapen zijn,20) zo zal Ik uw zaad21) na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal,22) en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen.
13Die zal Mijn Naam een huis bouwen;23) en Ik zal den stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid.24)
14Ik zal hem zijn tot een Vader,25) en hij zal Mij zijn tot een zoon; dewelke als hij misdoet,26) zo zal Ik hem met een mensenroede27) en met plagen der mensenkinderen straffen.
15Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, gelijk als Ik die weggenomen heb van Saul, dien Ik van voor uw aangezicht heb weggenomen.
16Doch uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid,28) voor uw aangezicht;29) uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid.
17Naar al deze woorden, en naar dit ganse gezicht, alzo sprak Nathan tot David.30)
18Toen ging de koning David in,31) en bleef voor het aangezicht des HEEREN,32) en hij zeide: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?
19Daartoe is dit in Uw ogen nog klein geweest,33) Heere HEERE, maar Gij hebt ook over het huis Uws knechts gesproken tot van verre heen;34) en dit naar de wet der mensen,35) Heere HEERE!
20En wat zal David nog meer tot U spreken? Want Gij kent Uw knecht, Heere HEERE!
21Om Uws woords wil,36) en naar Uw hart37) hebt Gij al deze grote dingen38) gedaan,39) om aan Uw knecht40) bekend te maken.
22Daarom zijt Gij groot, HEERE God! Want er is niemand gelijk Gij, en er is geen God dan alleen Gij,41) naar alles,42) wat wij met onze oren gehoord hebben.
23En wie is, gelijk Uw volk, gelijk Israël, een enig volk op aarde, hetwelk43) God is heengegaan44) Zich tot een volk te verlossen, en om Zich een Naam te zetten,45) en om voor ulieden46) deze grote47) en verschrikkelijke dingen te doen aan Uw land,48) voor het aangezicht Uws volks, dat Gij U uit Egypte verlost hebt, de heidenen en hun goden verdrijvende.49)
24En Gij hebt Uw volk Israël U bevestigd, U tot een volk, tot in eeuwigheid;50) en Gij, HEERE, zijt hun tot een God51) geworden.52)
25Nu dan, HEERE God, doe dit woord, dat Gij over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid, en doe, gelijk als Gij gesproken hebt.
26En Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: De HEERE der heirscharen is God over Israël; en het huis van Uw knecht David zal bestendig zijn voor Uw aangezicht.
27Want Gij, HEERE der heirscharen, Gij, God Israëls! Gij hebt voor het oor Uws knechts53) geopenbaard, zeggende: Ik zal u een huis bouwen; daarom heeft Uw knecht in zijn hart gevonden,54) dit gebed tot U te bidden.
28Nu dan, Heere HEERE! Gij zijt die God, en Uw woorden zullen waarheid zijn, en Gij hebt dit goede tot Uw knecht gesproken.
29Zo believe het U nu, en zegen het huis van Uw knecht, dat het in eeuwigheid voor uw aangezicht zij; want Gij, Heere HEERE, hebt het gesproken, en met Uw zegen55) zal het huis van Uw knecht gezegend worden in eeuwigheid.