1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34


1Dit nu is de zegen,1) met welken Mozes, de man Gods,2) de kinderen Israëls gezegend heeft, voor zijn dood.
2Hij zeide dan: De HEERE is van Sinai gekomen,3) en is hunlieden opgegaan van Seir; Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran,4) en is aangekomen met tien duizenden der heiligen;5) tot Zijn rechterhand was een vurige wet6) aan hen.7)
3Immers bemint Hij de volken!8) Al zijn heiligen zijn in Uw hand;9) zij zullen in het midden10) tussen Uw voeten gezet worden; een ieder zal ontvangen van Uw woorden.11)
4Mozes heeft ons de wet geboden, een erfenis12) van Jakobs gemeente;13)
5En Hij was Koning14) in Jeschurun,15) als de hoofden des volks zich vergaderden, samen met de stammen Israëls.
6Dat Ruben leve, en niet sterve, en dat zijn lieden van getal zijn!16)
7En dit is van Juda,17) dat hij zeide:18) Hoor, HEERE!19) de stem van Juda! en breng hem weder20) tot zijn volk; zijn handen21) moeten hem genoegzaam zijn, en zijt Gij hem een Hulp tegen zijn vijanden!22)
8En van Levi zeide hij: Uw Thummim en Uw Urim23) zijn aan den man, Uw gunstgenoot;24) dien Gij verzocht hebt in Massa,25) met welken Gij getwist hebt aan de wateren van Meriba.
9Die tot zijn vader en tot zijn moeder zeide:26) Ik zie hem niet;27) en die zijn broederen niet kende, en zijn zonen niet achtte;28) want zij onderhielden Uw woord, en bewaarden Uw verbond.
10Zij zullen Jakob Uw rechten leren, en Israël Uw wet; zij zullen reukwerk29) voor Uw neus leggen,30) en dat gans verteerd zal worden,31) op Uw altaar.32)
11Zegen, HEERE! zijn vermogen,33) en laat U het werk zijner handen wel bevallen; versla de lenden dergenen,34) die tegen hem opstaan en hem haten, dat zij niet weder opstaan!35)
12En van Benjamin zeide hij: De beminde des HEEREN,36) hij zal zeker bij Hem wonen.37) Hij zal hem den gansen dag overdekken,38) en tussen Zijn schouders39) zal hij wonen!
13En van Jozef zeide hij: Zijn land zij gezegend van den HEERE, van het uitnemendste des hemels,40) van den dauw, en van de diepte,41) die beneden is liggende;
14En van de uitnemendste inkomsten der zon,42) en van de uitnemendste voortzetting der maan;43)
15En van het voornaamste44) der oude bergen,45) en van het uitnemendste der eeuwige heuvelen;
16En van het uitnemendste der aarde en haar volheid, en van de goedgunstigheid46) Desgenen, Die in het braambos woonde,47) kome de zegening op het hoofd van Jozef,48) en op den schedel des afgezonderden van zijn broederen!49)
17Hij heeft de heerlijkheid des eerstgeborenen zijns osses,50) en zijn hoornen zijn hoornen des eenhoorns;51) met dezelve zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden des lands.52) Dezen nu zijn de tien duizenden53) van Efraim,54) en dezen zijn de duizenden van Manasse!
18En van Zebulon zeide hij: Verheug u, Zebulon! over uw uittocht,55) en Issaschar! over uw hutten.56)
19Zij zullen de volken57) tot den berg roepen; daar zullen zij offeranden der gerechtigheid offeren;58) want zij zullen den overvloed der zeeen zuigen,59) en de bedekte verborgen dingen60) des zands.61)
20En van Gad zeide hij: Gezegend zij,62) die aan Gad ruimte maakt!63) hij woont als een oude leeuw,64) en verscheurt den arm, ja ook den schedel.
21En hij heeft zich van het eerste voorzien,65) omdat hij aldaar in het deel des wetgevers bedekt was; daarom kwam hij met de hoofden des volks; hij verrichtte de gerechtigheid des HEEREN, en zijn gerichten met Israël.
22En van Dan zeide hij: Dan is een jonge leeuw;66) hij zal als uit Bazan voortspringen.67)
23En van Nafthali zeide hij: O Nafthali! wees verzadigd van de goedgunstigheid,68) en vol van den zegen des HEEREN; bezit erfelijk het westen en het zuiden.69)
24En van Aser zeide hij: Aser zij gezegend met zonen;70) hij zij zijn broederen aangenaam, en dope zijn voet in olie.71)
25Ijzer en koper72) zal onder uw schoen zijn;73) en uw sterkte gelijk uw dagen!74)
26Niemand is er gelijk God,75) o Jeschurun! Die op den hemel vaart tot uw hulp,76) en met Zijn hoogheid77) op de bovenste wolken.78)
27De eeuwige God79) zij u een woning,80) en van onder eeuwige armen;81) en Hij verdrijve den vijand voor uw aangezicht, en zegge: Verdelg!
28Israël dan zal zeker alleen wonen, en Jakobs oog zal zijn82) op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen.
29Welgelukzalig zijt gij, o Israël! wie is u gelijk? gij zijt een volk, verlost door den HEERE, het Schild uwer hulp,83) en Die een Zwaard is uwer hoogheid;84) daarom zullen zich uw vijanden geveinsdelijk aan u onderwerpen,85) en gij zult op hun hoogten treden!86)