1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40


1Daarna toog de ganse vergadering van de kinderen Israëls, naar hun dagreizen,1) uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN,2) en zij legerden zich te Rafidim.3) Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
2Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gijlieden ons water,4) dat wij drinken! Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE?5)
3Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes,6) en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deed sterven?
4Zo riep Mozes tot den HEERE, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan,7) of zij zullen mij stenigen.
5Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks,8) en neem met u uit de oudsten van Israël;9) en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt,10) en ga heen.
6Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op den rotssteen in Horeb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzo voor de ogen der oudsten van Israël.
7En hij noemde den naam dier plaats Massa11) en Meriba,12) om de twist der kinderen Israëls, en omdat zij den HEERE verzocht hadden, zeggende: Is de HEERE in het midden van ons, of niet?
8Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim.
9Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan,13) en de staf Gods zal in mijn hand zijn.14)
10Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aaron en Hur15) klommen op de hoogte des heuvels.
11En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israël de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amalek de sterkste.
12Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden dien onder hem, dat hij daarop zat; en Aaron en Hur onderstutten zijn handen, de een op deze, en ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging.
13Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk17) krenkte,18) door de scherpte des zwaards.19)
14Toen zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek,20) en leg het in de oren van Jozua,21) dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal22) van onder den hemel.23)
15En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde deszelfs naam: De HEERE is mijn Banier!24)
16En hij zeide: Dewijl de hand op den troon des HEEREN is,25) zo zal de oorlog des HEEREN tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht!