1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50


1Toen viel Jozef op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem.1)
2En Jozef gebood zijn knechten, den medicijnmeesters, dat zij zijn vader2) balsemen zouden;3) en de medicijnmeesters balsemden IsraŽl.
3En veertig dagen4) werden aan hem vervuld;5) want alzo werden vervuld de dagen dergenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen.6)
4Als nu de dagen zijns bewenens over waren, zo sprak Jozef tot het huis van Farao,7) zeggende: Indien ik nu genade gevonden8) heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Farao, zeggende:
5Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf;9) in mijn graf, dat ik mij in10) het land Kanaan gegraven heb, daar zult gij mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen.
6En Farao zeide: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen zweren.
7En Jozef toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle11) Farao's knechten,12) de oudsten van zijn13) huis, en al14) de oudsten des lands van15) Egypte;
8Daartoe het ganse huis van Jozef, en zijn broeders, en het huis zijns vaders; alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun17) runderen lieten zij in het land Gosen.
9En met hem togen op, zo wagenen als ruiteren; en het was een zeer zwaar heir.18)
10Toen zij nu aan het plein van19) het doornbos20) kwamen, dat aan gene zijde21) van de Jordaan is,22) hielden zij23) daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen.24)
11Als de inwoners des25) lands, de Kanaanieten, dien rouw zagen op het plein van het doornbos, zo zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyptenaren; daarom noemde men haar naam Abel-Mizraim,27) die aan het veer28) van de Jordaan is.
12En zijn zonen deden hem, gelijk als hij hun30) geboden had;
13Want zijn zonen voerden hem in het land Kanaan, en begroeven hem in de spelonk des akkers van Machpela,31) welke Abraham met den akker gekocht had tot een erfbegrafenis van Efron, den Hethiet, tegenover Mamre.32)
14Daarna keerde Jozef weder in Egypte, hij en zijn broeders, en allen, die met hem opgetogen waren, om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had.
15Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zal ons Jozef haten, en hij zal ons gewisselijk33) vergelden al het kwaad, dat wij hem aangedaan hebben.34)
16Daarom ontboden zij aan Jozef, zeggende: Uw vader heeft36) bevolen voor zijn dood, zeggende:
17Zo zult gij tot Jozef zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding uwer broederen, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding der dienaren37) van den God38) uws vaders! En Jozef weende, als zij tot hem spraken.
18Daarna kwamen40) ook zijn broeders, en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten!
19En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in41) de plaats van God?
20Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te42) dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.
21Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun43) hart.
22Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderd en tien jaren.
23En Jozef zag van Efraim kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieen45) geboren.
24En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf;46) maar God zal u gewisselijk bezoeken, en47) Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.
25En Jozef deed de zonen van IsraŽl zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn48) beenderen van hier opvoeren!
26En Jozef stierf, honderd en tien jaren49) oud zijnde; en zij balsemden hem,50) en men legde hem in een kist in Egypte.51)