1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42


1Er was een man in het land Uz,1) zijn naam was Job;2) en dezelve man was oprecht,3) en vroom,4) en godvrezende,5) en wijkende van het kwaad.6)
2En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren.
3Daartoe was zijn vee7) zeven duizend schapen,8) en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk9) zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.10)
4En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag;11) en zij zonden henen,12) en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken.
5Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde13) en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide:14) Misschien hebben mijn kinderen gezondigd,15) en God in hun hart gezegend.16) Alzo deed Job al die dagen.17)
6Er was nu een dag, als de kinderen Gods18) kwamen,19) om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan20) ook in het midden van hen kwam.
7Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken21) op de aarde, en van die te doorwandelen.
8En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook22) acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand23) is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.
9Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?
10Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend,25) en zijn vee is in menigte26) uitgebroken in den lande.
11Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan27) alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht28) zal zegenen?29)
12En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand;31) alleen aan hem32) strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.
13Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene.
14Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.33)
15Doch de Sabeers34) deden35) een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte36) des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
16Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods37) viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen 38)en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
17Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldëen stelden drie hopen,39) en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
18Als deze nog sprak,40) zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene;
19En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet41) aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen,42) dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
20Toen stond Job op, en scheurde43) zijn mantel,44) en schoor zijn hoofd,45) en viel op de aarde, en boog zich neder;46)
21En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen47) wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen;48) de Naam des HEEREN zij geloofd!49)
22In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.