1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52


1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
2Maak u op, en ga af in het huis des pottenbakkers, en aldaar zal Ik u Mijn woorden doen horen.
3Zo ging ik af in het huis des pottenbakkers; en ziet, hij maakte een werk op de schijven.
4En het vat, dat hij maakte, werd verdorven, als leem, in de hand des pottenbakkers; toen maakte hij daarvan weder een ander vat, gelijk als het recht was in de ogen des pottenbakkers te maken.
5Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
6Zal Ik ulieden niet kunnen doen, gelijk deze pottenbakker, o huis Israëls? spreekt de HEERE; ziet, gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzo zijt gijlieden in Mijn hand, o huis Israëls!
7In een ogenblik zal Ik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal uitrukken, en afbreken, en verdoen;
8Maar indien datzelve volk, over hetwelk Ik zulks gesproken heb, zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik berouw hebben1) over het kwaad,2) dat Ik hetzelve3) gedacht te doen.
9Ook zal Ik in een ogenblik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal bouwen en planten;
10Maar indien het doet, dat kwaad is in Mijn ogen, dat het naar Mijn stem niet hoort, zo zal Ik berouw hebben over het goede,4) met hetwelk Ik gezegd had hetzelve5) te zullen weldoen.
11Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda6) en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik formeer7) een kwaad8) tegen ulieden, en denk tegen ulieden een gedachte;9) zo bekeert u nu, een iegelijk van zijn bozen weg, en maakt uw wegen10) en uw handelingen goed.
12Doch zij zeggen: Het is buiten hoop;11) maar wij zullen naar onze gedachten wandelen, en wij zullen doen, een iegelijk het goeddunken12) van zijn boos hart.
13Daarom, zo zegt de HEERE: Vraagt nu onder de heidenen; wie heeft alzulks gehoord? De jonkvrouw13) Israëls doet een zeer afschuwelijke zaak.14)
14Zal men ook om een rotssteen15) des velds verlaten de sneeuw van Libanon? Zullen ook de vreemde,16) koude, vlietende wateren verlaten worden?
15Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, zij roken der ijdelheid;17) want zij hebben hen18) doen aanstoten op hun wegen,19) op de oude paden,20) opdat zij mochten wandelen in stegen van een weg, die21) niet opgehoogd is;22)
16Om hun land23) te stellen tot een ontzetting,24) tot eeuwige aanfluitinge25)n; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.26)
17Als een oostenwind27) zal Ik hen verstrooien voor het aangezicht des vijands; Ik zal hun den nek28) en niet het aangezicht laten zien, ten dage huns verderfs.29)
18Toen zeiden zij:30) Komt aan, laat ons gedachten31) tegen Jeremia denken; want de wet32) zal niet vergaan van den priester, noch de raad van den wijze, noch het woord van den profeet; komt aan, en laat ons hem slaan met de tong,33) en laat ons niet luisteren naar enige zijner woorden!
19HEERE! luister naar mij, en hoor naar de stem mijner twisters.34)
20Zal dan kwaad35) voor goed vergolden worden? want zij hebben mijn ziel36) een kuil gegraven; gedenk, dat ik voor Uw aangezicht gestaan heb, om goed voor hen37) te spreken, om Uw grimmigheid van hen af te wenden.
21Daarom, geef hun zonen38) den honger over, en doe ze wegvloeien39) door het geweld40) des zwaards, en laat hun vrouwen van kinderen41) beroofd en weduwen worden, en laat hun mannen door den dood42) omgebracht, en hun jongelingen met het zwaard43) geslagen worden in den strijd.
22Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer Gij haastelijk een bende44) over hen zult brengen;45) dewijl zij een kuil gegraven46) hebben om mij te vangen, en strikken verborgen47) voor mijn voeten.
23Doch Gij, HEERE! weet al hun raad tegen mij ten dode;48) maak geen verzoening49) over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht;50) maar laat hen nedergeveld51) worden voor Uw aangezicht; handel alzo met hen,52) ten tijde Uws toorns.