1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66


1Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isai, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.
2En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN.
3En Zijn rieken zal zijn in de vreze des HEEREN; en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen.
4Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen; doch Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met den adem Zijner lippen zal Hij den goddeloze doden.
5Want gerechtigheid zal de gordel Zijner lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel Zijner lendenen zijn.
6En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven.
7De koe en de berin zullen te zamen weiden, haar jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os.
8En een zoogkind zal zich vermaken1) over het hol van een adder;2) en een gespeend kind zal zijn hand3) uitsteken in de kuil van den basilisk.
9Men zal4) nergens leed doen noch verderven op den gansen berg Mijner heiligheid;5) want de aarde6) zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren7) den bodem der zee bedekken.
10Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel8) van Isai, Die staan zal9) tot een banier10) der volken, zullen vragen,11) en Zijn rust12) zal heerlijk zijn.
11Want het zal13) geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male14) Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven15) het overblijfsel16) Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrie, en van Egypte, en van Pathros,17) en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee.18)
12En Hij zal19) een banier20) oprichten onder de heidenen, en Hij zal21) de verdrevenen van IsraŽl verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen,22) van de vier einden des aardrijks.
13En de nijd24) van Efraim zal wegwijken, en de tegenpartijders van Juda zullen uitgeroeid worden; Efraim zal Juda25) niet benijden, en Juda zal Efraim niet benauwen.26)
14Maar zij zullen27) den Filistijnen op den schouder28) vliegen tegen het westen,29) en zij zullen te zamen30) die van het oosten31) beroven; aan Edom32) en Moab zullen zij33) hun handen slaan, en de kinderen Ammons34) zullen hun35) gehoorzaam zijn.
15Ook zal de HEERE36) den inham37) der zee van Egypte38) verbannen,39) en Hij zal Zijn hand bewegen40) tegen de rivier,41) door de sterkte Zijns winds; en Hij zal dezelve slaan in de zeven stromen,42) en Hij zal maken, dat men43) met schoenen44) daardoor zal gaan.
16En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel Zijns volks, dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als IsraŽl geschiedde ten dage, toen het uit Egypteland46) optoog.