1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66


1En te dien1) dage zullen zeven vrouwen2) een man aangrijpen,3) zeggende: Ons brood4) zullen wij eten, en met onze klederen zullen wij bekleed zijn, laat ons alleenlijk5) naar uw naam genoemd worden, neem6) onze smaadheid7) weg.
2Te dien8) dage zal des HEEREN SPRUIT9) zijn tot sieraad10) en tot heerlijkheid, en de vrucht11) der aarde tot voortreffelijkheid12) en tot versiering dengenen,13) die het ontkomen zullen in IsraŽl.
3En het zal geschieden, dat de overgeblevene in Sion, en de overgelatene in Jeruzalem zal heilig14) geheten worden, een iegelijk, die geschreven15) is ten leven16) te Jeruzalem;
4Als de Heere zal afgewassen hebben den drek17) der dochteren18) van Sion, en de bloedschulden19) van Jeruzalem20) zal verdreven21) hebben uit derzelver midden, door den Geest des22) oordeels, en door den Geest der23) uitbranding.
5En de HEERE zal over alle24) woning van den berg Sions, en over haar vergaderingen, scheppen25) een wolk des daags,26) en een rook,27) en den glans eens vlammenden vuurs des nachts; want over alles wat heerlijk is,28) zal een beschutting wezen.
6En daar zal29) een hut zijn tot een schaduw30) des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen den vloed31) en tegen den regen.