1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66


1Troost, troost Mijn volk, zal ulieder1) God zeggen.2)
2Spreekt3) naar het hart4) van Jeruzalem,5) en roept haar toe,6) dat haar strijd7) vervuld is, dat haar ongerechtigheid8) verzoend is,9) dat zij van de hand10) des HEEREN dubbel11) ontvangen heeft voor al haar zonden.
3Een stem12) des roependen13) in de woestijn: Bereidt den weg14) des HEEREN, maakt recht in de wildernis15) een baan16) voor onzen God!
4Alle dalen17) zullen verhoogd worden, en alle bergen18) en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is,19) dat zal recht, en wat hobbelachtig is,20) dat zal tot een vallei21) gemaakt worden.
5En de heerlijkheid22) des HEEREN zal geopenbaard23) worden; en alle vlees24) te gelijk zal zien,25) dat het26) de mond des HEEREN gesproken heeft.
6Een stem zegt:27) Roept!28) En hij zegt:29) Wat zal ik roepen? Alle vlees30) is gras,31) en al zijn goedertierenheid32) als een bloem des velds.
7Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras.33)
8Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat34) in der eeuwigheid.
9O Sion,35) gij verkondigster36) van goede boodschap,37) klim op een hogen berg; o Jeruzalem,38) gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg den steden van Juda: Zie hier is uw God!39)
10Ziet, de Heere HEERE40) zal komen tegen den sterke,41) en Zijn arm zal heersen;42) ziet, Zijn loon43) is bij Hem,44) en Zijn arbeidsloon45) is voor Zijn aangezicht.
11Hij zal Zijn kudde46) weiden47) gelijk een herder; Hij zal de lammeren48) in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden49) zal Hij zachtjes leiden.
12Wie heeft50) de wateren met Zijn vuist51) gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling52) het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal?
13Wie heeft den Geest53) des HEEREN bestierd,54) en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?55)
14Met wien56) heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand57) zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen58) verstands?
15Ziet, de volken zijn geacht59) als een druppel60) van een emmer, en als een stofje van de weegschaal;61) ziet, Hij werpt62) de eilanden henen als dun stof!
16En de Libanon63) is niet genoegzaam64) om te branden,65) en zijn gedierte66) is niet genoegzaam ten brandoffer.
17Alle volken zijn als niets67) voor Hem; en zij worden bij Hem geacht minder dan niet, en ijdelheid.68)
18Bij wien dan zult gij69) God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen?
19De werkmeester70) giet74) een beeld,71) en de goudsmid72) overtrekt73) het met goud, en giet er zilveren ketenen toe.
20Die verarmd is, dat hij niet75) te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden, dat niet wankele.76)
21Weet gijlieden niet? Hoort gij niet? Is het u van den beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet?
22Hij is het,77) Die daar zit boven den kloot der aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen;78) Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt79) ze uit als een tent, om te bewonen;
23Die de vorsten te niet maakt;80) de richters der aarde maakt Hij81) tot ijdelheid.
24Ja, zij82) worden niet geplant,83) ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde; ook als Hij op hen blazen zal, zo zullen zij verdorren, en een stormwind zal hen als een stoppel84) wegnemen.
25Bij wien dan zult gijlieden Mij vergelijken, dien Ik gelijk zij? zegt de Heilige.
26Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen86) geschapen heeft; Die in getal hun heir87) voortbrengt;88) Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet een gemist.89)
27Waarom zegt gij dan, o Jakob!90) en spreekt, o IsraŽl! mijn weg91) is voor den HEERE verborgen, en mijn recht92) gaat van mijn God voorbij?
28Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat93) wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand.
29Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft.
30De jongen94) zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen;
31Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen;95) zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden;96) zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.