1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66


1Hoort naar Mij,1) gij eilanden!2) en luistert toe, gij volken van verre! De HEERE heeft Mij geroepen3) van den buik af, van Mijner moeders4) ingewand af heeft Hij Mijn Naam5) gemeld.6)
2En Hij heeft Mijn mond gemaakt7) als een scherp zwaard, onder de schaduw8) Zijner hand heeft Hij Mij bedekt;9) en Hij heeft Mij tot een zuiveren10) pijl gesteld,11) in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen.
3En Hij heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Knecht,12) IsraŽl, door Welken Ik13) verheerlijkt zal worden.
4Doch Ik zeide:14) Ik heb te vergeefs15) gearbeid, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk16) en ijdelijk toegebracht;17) gewisselijk,18) Mijn recht19) is bij den HEERE, en Mijn werkloon is bij Mijn God.
5En nu zegt de HEERE, Die Mij Zich van moeders buik af tot een Knecht geformeerd heeft, dat Ik Jakob tot Hem wederbrengen zou; maar IsraŽl zal zich niet verzamelen laten; nochtans zal Ik verheerlijkt worden in de ogen des HEEREN, en Mijn God zal Mijn Sterkte zijn.
6Verder zeide Hij: Het is te gering,20) dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten21) de stammen van Jakob, en om weder te brengen de bewaarden22) in IsraŽl; Ik heb U ook gegeven tot een Licht der heidenen, om Mijn heil24) te zijn tot aan het einde der aarde.
7Alzo zegt de HEERE, de Verlosser van IsraŽl, Zijn Heilige,25) tot de verachte ziel,26) tot Dien, aan Welken het volk27) een gruwel heeft, tot den Knecht28) dergenen, die heersen:29) Koningen zullen het zien30) en opstaan,31) ook vorsten, en zij zullen zich32) voor U buigen; om des HEEREN wil,33) Die getrouw is,34) om den Heilige IsraŽls,35) Die U verkoren heeft.36)
8Alzo zegt de HEERE:37) In dien tijd38) des welbehagens heb Ik39) U verhoord,40) en ten dage41) des heils heb Ik U42) geholpen; en Ik zal U bewaren,43) en Ik zal U geven tot een verbond44) des volks,45) om het aardrijk46) op te richten, om de verwoeste47) erfenissen te doen beerven;
9Om te zeggen tot de gebondenen:48) Gaat uit; tot hen, die in duisternis zijn:49) Komt te voorschijn;50) zij zullen51) op de wegen52) weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen.
10Zij zullen niet53) hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken;54) want hun Ontfermer55) zal ze leiden, en Hij zal hen56) aan de springaders der wateren zachtjes leiden.
11En Ik zal57) al Mijn bergen tot een weg maken, en Mijn banen zullen verhoogd zijn.58)
12Zie, deze zullen van verre komen; en zie, die van het noorden en van het westen,59) en geen uit het land van Sinim.60)
13Juicht,61) gij hemelen! en verheug u, gij aarde! en gij bergen!62) maakt gedreun met gejuich; want de HEERE heeft Zijn volk vertroost, en Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.
14Doch Sion zegt:63) De HEERE heeft mij verlaten, en de HEERE heeft mij vergeten.
15Kan ook een vrouw haar zuigeling64) vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon65) haars buiks? Ofschoon66) deze vergate,67) zo zal Ik toch u niet vergeten.68)
16Zie, Ik heb u69) in de beide handpalmen gegraveerd;70) uw muren71) zijn steeds72) voor Mij.
17Uw zonen73) zullen zich haasten; maar uw verstoorders74) en uw verwoesters zullen van u uitgaan.75)
18Hef uw ogen op rondom, en zie, alle deze76) vergaderen zich, zij komen tot u;77) Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, zekerlijk, gij zult u met alle dezen78) als met een sieraad79) bekleden, en gij zult ze u aanbinden, gelijk een bruid.80)
19Want in81) uw woeste en uw eenzame plaatsen, en uw verstoord82) land, gewisselijk, nu zult gij83) benauwd84) worden van inwoners; en die u verslonden,85) zullen zich verre van u maken.
20Nog zullen de kinderen,86) waarvan gij beroofd waart, zeggen voor uw oren: De plaats87) is mij te nauw, wijk van mij,88) dat ik wonen moge.
21En gij zult zeggen89) in uw hart: Wie heeft mij dezen gegenereerd, aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was? Ik was in de gevangenis90) gegaan, en weggeweken;91) wie heeft mij dan deze opgevoed? Ziet, ik was alleen overgelaten, waar waren dezen?
22Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal Mijn hand92) opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken;93) dan zullen zij94) uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op den schouders gedragen worden.
23En koningen95) zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen;97) zij zullen zich98) voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof99) uwer voeten lekken; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
24Zou ook100) een machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen eens rechtvaardigen101) ontkomen?
25Doch alzo zegt de HEERE: Ja,102) de gevangenen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst des tirans zal ontkomen;103) want met uw twisters104) zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik verlossen.105)
26En Ik zal uw106) verdrukkers spijzen met hun eigen vlees, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden, als van zoeten wijn; en alle vlees107) zal gewaar worden, dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs.