1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66


1Nu zal ik mijn Beminde1) een lied2) mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard;3) Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel.4)
2En Hij heeft dien omtuind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in deszelfs midden een toren gebouwd, en ook een wijnbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht.
3Nu dan,5) gij inwoners van Jeruzalem, en gij mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijn wijngaard.
4Wat is er6) meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom7) heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?8)
5Nu dan, Ik zal ulieden nu bekend maken, wat Ik9) Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn10) tuin wegnemen,11) opdat hij zij12) tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.
6En Ik zal hem13) tot woestheid maken; hij zal niet14) besnoeid,15) noch omgehakt worden, maar distelen en doornen16) zullen daarin opgaan; en Ik zal den wolken17) gebieden, dat zij geen regen daarop regenen.
7Want18) de wijngaard van den HEERE der heirscharen is het huis van IsraŽl, en de mannen19) van Juda zijn een plant20) Zijner verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht,21) maar ziet, het is schurftheid,22) naar gerechtigheid,23) maar ziet, het is geschreeuw.24)
8Wee dengenen, die huis aan huis trekken,25) akker aan akker brengen, totdat er geen plaats26) meer zij, en dat gijlieden alleen inwoners gemaakt wordt in het midden des lands!
9Voor mijn oren27) heeft de HEERE der heirscharen gesproken: Zo niet vele28) huizen tot verwoesting zullen worden, de grote en de treffelijke29) zonder inwoner!30)
10Ja, tien31) bunderen32) wijngaards zullen een enig bath33) geven, en een homer zaads34) zal een efa35) geven.36)
11Wee dengenen, die, zich vroeg opmakende in den morgenstond, sterken drank37) najagen, en vertoeven38) tot in de schemering,39) totdat de wijn hen heeft verhit!
12En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen40) het werk des HEEREN niet, en zij zien niet41) op het maaksel Zijner handen.
13Daarom zal mijn volk42) gevankelijk43) weggevoerd worden, omdat44) het geen wetenschap heeft; en deszelfs heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte46) zal verdorren van dorst.
14Daarom47) zal het graf zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat;49) opdat nederdale50) haar heerlijkheid, en haar menigte,52) met haar gedruis,53) en die in haar54) van vreugde opspringt.
15Dan zal de gemene man55) nedergebogen worden, en de aanzienlijke man56) zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden.57)
16Doch de HEERE der heirscharen zal verhoogd worden door het recht;58) en God, die Heilige, zal geheiligd worden59) door gerechtigheid.
17En60) de lammeren61) zullen weiden62) naar hun wijze,63) en de vreemdelingen64) zullen de woeste plaatsen der vetten eten.66)
18Wee dengenen, die de ongerechtigheid trekken67) met koorden68) der ijdelheid, en de zonde als met dikke wagenzelen!
19Die daar zeggen:69) Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk70) bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen den raadslag71) des Heiligen72) van IsraŽl, dat wij het73) vernemen!74)
20Wee dengenen, die het kwade75) goed heten, en het goede kwaad; die duisternis76) tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid!
21Wee dengenen, die in hun ogen77) wijs, en bij zichzelven verstandig zijn!
22Wee dengenen, die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterken drank78) te mengen!79)
23Die den goddeloze rechtvaardigen80) om een geschenk, en de gerechtigheid der rechtvaardigen van dezelven afwenden.81)
24Daarom, gelijk de tong82) des vuurs den stoppel verteert,83) en het kaf door de vlam verdaan wordt,84) alzo zal hun wortel85) als een uittering86) wezen; en hun bloem87) zal als stof opvaren; omdat zij verwerpen de wet des HEEREN der heirscharen, en de rede des Heiligen van IsraŽl versmaden.
25Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft tegen hetzelve Zijn hand uitgestrekt,88) en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen89) hebben gebeefd, en hun dode lichamen90) zijn geworden91) als drek in het midden der straten. Om dit92) alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.93)
26Want Hij94) zal een banier95) opwerpen96) onder de heidenen97) van verre, en Hij zal hen herwaarts sissen98) van het einde der aarde; en ziet99), haastelijk, snellijk zullen zij aankomen.100)
27Geen moede,101) en geen struikelende zal onder hen wezen; niemand102) zal sluimeren noch slapen, noch de gordel103) zijner lendenen ontbonden worden, noch de schoenriem zijner schoenen afgescheurd worden.
28Welker pijlen104) scherp zullen zijn, en al hun bogen gespannen;105) hunner paarden hoeven106) zullen als een rots107) geacht zijn, en hun raderen als een wervelwind.
29Hun gebrul109) zal zijn als van een ouden leeuw,110) en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en den roof111) aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn.
30En zij zullen112) tegen hetzelve113) te dien dage bruisen, als het bruisen der zee. Dan zal men114) de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hun verwoestingen.