1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66


1Alzo zegt de HEERE: Bewaart het recht,1) en doet gerechtigheid;2) want3) Mijn heil4) is nabij om te komen, en Mijn gerechtigheid5) om geopenbaard te worden.
2Welgelukzalig is de mens, die zulks doet,6) en des mensen kind, dat daaraan vasthoudt; die den sabbat houdt,7) zodat gij dien niet ontheiligt, en die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen.
3En de vreemde,8) die zich tot den HEERE gevoegd heeft, spreke niet,9) zeggende: De HEERE heeft mij gans en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegge niet: Ziet, ik ben een dorre boom.10)
4Want alzo zegt de HEERE van de gesnedenen,11) die Mijn sabbatten houden, en verkiezen hetgeen, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond;
5Ik zal hen ook in Mijn huis13) en binnen Mijn muren14) een plaats15) en een naam geven, beter dan der zonen16) en dan der dochteren; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven,17) die niet uitgeroeid zal worden.
6En de vreemden,18) die zich tot den HEERE voegen, om Hem te dienen, en om den Naam des HEEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie den sabbat houdt,19) dat hij dien niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden;
7Die zal Ik ook brengen tot Mijn heiligen berg,20) en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis;21) hun brandoffers22) en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar;23) want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden24) voor alle volken.25)
8De Heere HEERE, Die de verdrevenen van Israël26) vergadert, spreekt: Ik zal tot hem nog meer27) vergaderen, nevens hen, die tot hem vergaderd zijn.29)
9Al30) gij gedierten31) des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierten in het woud!
10Hun32) wachters33) zijn allen blind,34) zij weten niet; zij allen zijn stomme honden,35) zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief.
11En deze honden zijn sterk36) van begeerte, zij kunnen37) niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elkeen naar zijn gewin,38) elk39) uit zijn einde.
12Komt herwaarts, zeggen41) zij: ik zal wijn halen,40) en wij zullen sterken drank zuipen; en de dag van morgen42) zal zijn als deze, ja, groter, veel treffelijker.