1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66


1Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, den zoon van Jotham,1) den zoon van Uzzia,2) den koning van Juda,3) dat Rezin, de koning van Syrie,4) en Pekah,5) de zoon van Remalia, de koning van IsraŽl, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht6) met strijden niet tegen haar.
2Als men den huize Davids7) boodschapte, zeggende: De Syriers8) rusten op Efraim,9) zo bewoog zich zijn hart en het hart10) zijns volks, gelijk de bomen des wouds bewogen worden van den wind.
3En de HEERE zeide tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet,11) gij en uw zoon, Schear-Jaschub,12) aan het einde13) van den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers;
4En zeg tot hem: Wacht u,14) en zijt gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, vanwege die twee staarten15) dezer rokende vuurbranden; vanwege de ontsteking des toorns van Rezin en der Syriers, en van den zoon van Remalia;16)
5Omdat de Syrier17) kwaad tegen u beraadslaagd heeft, met Efraim18) en den zoon van Remalia, zeggende:
6Laat ons optrekken tegen Juda,19) en het verdriet aandoen,20) en het onder ons21) delen, en den zoon van Tabeal22) koning maken in het midden van hen.
7Alzo zegt de Heere HEERE: Het zal niet bestaan,23) en het zal niet geschieden.
8Maar Damaskus24) zal het hoofd van Syrie zijn, en Rezin25) het hoofd van Damaskus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraim26) verbroken worden, dat het geen volk zij.
9Ondertussen zal Samaria Efraims hoofd zijn, en de zoon van Remalia het hoofd van Samaria. Indien gijlieden niet gelooft, zekerlijk, gij zult niet bevestigd worden.
10En de HEERE27) voer voort te spreken28) tot Achaz, zeggende:
11Eis u29) een teken30) van den HEERE, uw God; eis beneden31) in de diepte, of eis boven uit de hoogte.
12Doch Achaz zeide: Ik zal het niet32) eisen, en ik zal den HEERE33) niet verzoeken.
13Toen zeide hij:34) Hoort gijlieden nu, gij, huis van David!35) is het ulieden36) te weinig, dat gij de mensen moede maakt, dat gij ook mijn God moede maakt?
14Daarom37) zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet38), een maagd39) zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam40) IMMANUEL heten.41)
15Boter en honig zal Hij eten,42) totdat Hij43) wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede.
16Zekerlijk, eer dit Knechtje44) weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede, zal45) dat land,46) waarover47) gij verdrietig zijt,48) verlaten zijn van zijn twee koningen.49)
17Doch de HEERE zal over u, en over uw volk, en over uws vaders huis, dagen doen komen, hoedanige50) niet gekomen zijn van dien dag af, dat Efraim51) van Juda is afgeweken, door52) den koning van Assyrie.
18Want het zal te dien dage53) geschieden, dat de HEERE zal toesissen54) de vliegen,55) die aan het einde der rivieren van Egypte zijn, en de bijen56) die in het land van Assur zijn.
19En zij zullen komen, en zij allen zullen rusten in de woeste dalen, en in de kloven der steenrotsen, en in al de doornhagen, en in alle geprezene plaatsen.
20Te dien dage zal de Heere door een gehuurd60) scheermes, hetwelk aan gene zijde der rivier is,61) door den koning62) van Assyrie, afscheren het hoofd,63) en het haar der voeten; ja, het zal ook den baard64) gans wegnemen.
21En het zal geschieden te dien dage, dat iemand een koetje65) in het leven66) zal behouden hebben, en twee schapen;67)
22En het zal geschieden, dat hij vanwege de veelheid der melk, die zij geven zullen,68) boter69) zal eten; ja, een ieder, die overgebleven70) zal zijn in het midden71) des lands, die zal boter en honig eten.72)
23Ook zal het te dienzelfden dage geschieden, dat iedere plaats,73) alwaar duizend wijnstokken74) geweest zijn, van duizend zilverlingen,75) tot doornen en distelen zal zijn;
24Dat men met pijlen en met den boog aldaar zal moeten gaan;76) want het ganse land77) zal doornen en distelen zijn.
25Ook al de bergen,78) die men met houwelen pleegt79) om te hakken, daar zal men niet komen uit vrees der doornen en der distelen; maar die zullen wezen80) tot inzending81) van den os, en tot vertreding van het kleinvee.