1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66


1Het volk,1) dat in duisternis wandelt,2) zal een groot3) licht zien; degenen, die wonen in het land4) van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.5)
2Gij hebt6) dit volk vermenigvuldigd, maar7) Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans blijde wezen8) voor Uw aangezicht,9) gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt.
3Want het juk10) van hun last, en den stok hunner schouders, en den staf desgenen,11) die hen dreef, hebt Gij verbroken, gelijk ten dage der Midianieten;
4Toen de ganse strijd dergenen, die streden, met gedruis12) geschiedde, en de klederen13) in het bloed14) gewenteld en verbrand werden, tot een voedsel des vuurs.15)
5Want16) een Kind17) is ons20) geboren,18) een Zoon19) is ons gegeven,21) en de heerschappij22) is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam23) Wonderlijk,24) Raad,25) Sterke God,26) Vader der eeuwigheid,27) Vredevorst;28)
6Der grootheid dezer heerschappij29) en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David30) en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht31) en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver des HEEREN32) der heirscharen zal zulks doen.
7De Heere33) heeft een woord34) gezonden in Jakob, en het is gevallen35) in IsraŽl.
8En al dit volk zal het gewaar worden, Efraim36) en de inwoner van Samaria;37) in hoogmoed38) en grootsheid des harten, zeggende:
9De tichelstenen39) zijn gevallen,40) maar met uitgehouwen stenen41) zullen wij wederom bouwen; de wilde vijgebomen42) zijn afgehouwen, maar wij zullen ze43) in cederen veranderen;
10Want de HEERE44) zal Rezins45) tegenpartijders tegen hem verheffen, en Hij zal zijn vijanden46) samen vermengen:
11De Syriers van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij IsraŽl48) opeten49) met vollen mond.50) Om dit alles51) keert Zijn toorn52) zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.53)
12Want dit volk54) keert zich niet55) tot Dien,56) Die het slaat, en den HEERE der heirscharen zoeken zij niet.57)
13Daarom zal de HEERE afhouwen58) uit IsraŽl den kop59) en den staart, den tak60) en de bieze, op een dag.61)
14(De oude en aanzienlijke,62) die is de kop; maar de profeet, die valsheid leert,63) die is de staart.64))
15Want65) de leiders66) dezes volks zijn verleiders,67) en die van hen geleid worden, worden ingeslokt.68)
16Daarom zal zich de Heere niet verblijden69) over hun jongelingen,70) en hunner wezen en hunner weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn allen te zamen huichelaars71) en boosdoeners, en alle mond72) spreekt dwaasheid.73) Om dit alles74) keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
17Want de goddeloosheid75) brandt als vuur, doornen76) en distelen zal zij verteren, en zal aansteken de verwarde77) struiken des wouds, die zich verheven hebben als de verheffing78) des rooks.
18Vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, zal79) het land80) verduisterd worden; en het volk zal zijn als een voedsel81) des vuurs:82) de een zal83) den ander niet verschonen.
19Zo hij ter rechterhand snijdt,84) zal hij toch hongeren, en zo hij ter linkerhand eet, zal hij toch niet verzadigd worden; een iegelijk zal het vlees zijns arms eten;85)
20Manasse86) Efraim,87) en Efraim Manasse, en zij zullen te zamen tegen Juda zijn.88) Om dit alles89) keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.