1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24


1En het geschiedde, toen dit hoorden al de koningen, die aan deze zijde1) van de Jordaan waren, op het gebergte, en in de laagte, en aan alle havens2) der grote zee,3) tegenover den Libanon: de Hethieten, en de Amorieten, de Kanaanieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten;
2Zo vergaderden zij zich samen, om tegen Jozua en tegen Israël te krijgen, eenmoediglijk.5)
3Als de inwoners te Gibeon hoorden,6) wat Jozua met Jericho en met Ai gedaan had,
4Zo handelden zij ook arglistiglijk, en gingen heen, en veinsden zich gezanten te zijn, en zij namen oude zakken op hun ezels, en oude en gescheurde, en samengebonden lederen wijnzakken;
5Ook oude en bevlekte schoenen7) aan hun voeten, en zij hadden oude klederen aan, en al het brood,8) dat zij op hun reize hadden, was droog en beschimmeld.9)
6En zij gingen tot Jozua in het leger te Gilgal,10) en zij zeiden tot hem en tot de mannen van Israël:11) Wij zijn gekomen uit een ver land, zo maakt nu een verbond met ons.
7Toen zeiden de mannen van Israël tot de Hevieten:12) Misschien woont gijlieden in het midden van ons,13) hoe zullen wij14) dan een verbond met u maken?
8Zij dan zeiden tot Jozua: Wij zijn uw knechten.15) Toen zeide Jozua tot hen: Wie zijt gijlieden, en van waar komt gij?
9Zij nu zeiden tot hem: Uw knechten16) zijn uit een zeer ver land gekomen, om den Naam des HEEREN,17) uws Gods; want wij hebben Zijn gerucht gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft;
10En alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen der Amorieten die aan gene zijde van de Jordaan waren, Sihon, den koning van Hesbon, en Og, den koning van Bazan, die te Astharoth woonde.
11Daarom spraken tot ons onze oudsten, en al de inwoners onzes lands, zeggende: Neemt reiskost met u in uw handen op de reize, en gaat hun tegemoet, en zegt tot hen: Wij zijn ulieder knechten, zo maakt nu een verbond met ons.
12Dit ons brood hebben wij warm tot onzen teerkost uit onze huizen genomen, ten dage, toen wij uittogen om tot ulieden te reizen; maar ziet, nu is het droog, en het is beschimmeld;18)
13En deze lederen wijnzakken, die wij gevuld hebben, waren nieuw, maar ziet, zij zijn gescheurd; en deze onze klederen, en onze schoenen zijn oud geworden, vanwege deze zeer lange reis.
14Toen namen de mannen19) van hun reiskost; en zij vraagden20) het den mond des HEEREN niet.21)
15En Jozua maakte vrede met hen, en hij maakte een verbond met hen, dat hij hen bij het leven behouden zoude; en de oversten der vergadering zwoeren hun.22)
16En het geschiedde ten einde van drie dagen, nadat zij het verbond met hen gemaakt hadden, zo hoorden zij, dat zij hun naburen waren, en dat zij in het midden van hen waren wonende.
17Want toen de kinderen Israëls voorttogen, zo kwamen zij ten derden dage aan hun steden; hun steden nu waren Gibeon, en Chefira,23) en Beeroth,24) en Kirjath-Jearim.
18En de kinderen Israëls sloegen ze niet, omdat de oversten der vergadering hun gezworen hadden bij den HEERE, den God Israëls; daarom murmureerde25) de ganse vergadering tegen de oversten.
19Toen zeiden al de oversten tot de ganse vergadering: Wij hebben hun gezworen bij den HEERE, den God Israëls; daarom kunnen wij hen niet aantasten.26)
20Dit zullen wij hun doen,27) dat wij hen bij het leven behouden, opdat geen grote toorn28) over ons zij, om des eeds wil,29) dien wij hun gezworen hebben.
21Verder zeiden de oversten tot hen:30) Laat hen leven, en laat ze houthouwers en waterputters31) zijn der ganse vergadering, gelijk de oversten32) tot hen gezegd hebben.33)
22En Jozua riep hen, en sprak tot hen, zeggende: Waarom hebt gijlieden ons bedrogen, zeggende: Wij zijn zeer verre van ulieden gezeten, daar gij in het midden van ons zijt wonende?
23Nu dan, vervloekt34) zijt gijlieden! en onder ulieden zullen niet afgesneden35) worden knechten, noch houthouwers, noch waterputters ten huize mijns Gods.36)
24Zij dan antwoordden Jozua, en zeiden: Dewijl het aan uw knechten zekerlijk37) was te kennen gegeven, dat de HEERE, uw God, Zijn knecht Mozes geboden heeft, dat Hij ulieden al dit land geven, en al de inwoners des lands voor ulieder aangezicht verdelgen zoude, zo vreesden wij onzes levens zeer38) voor ulieder aangezichten; daarom hebben wij deze zaak gedaan.
25En nu, zie, wij zijn in uw hand;39) doe, gelijk het goed en gelijk het recht is in uw ogen ons te doen.
26Zo deed hij hun alzo, en hij verloste hen van de hand der kinderen Israëls, dat zij hen niet doodsloegen.
27Alzo gaf Jozua hen40) over ten zelven dage tot houthouwers en waterputters der vergadering, en dat tot het altaar des HEEREN, tot dezen dag toe, aan de plaats, die Hij verkiezen zoude.