1)voor het aangezicht
Zie boven, Lev. 1:3.
 
2)een geolieden broodkoek,
Hebreeuws, een koek van het brood der olie.
 
3)handen van Aäron,
Hebreeuws, palmen; en zo in het volgende.
 
4)beweegoffer,
Zie boven, Lev. 7:30.
 
5)vulofferen
Hebreeuws, vervullingen; en zo in het volgende. Zie boven, Lev. 7:37.
 
6)dele van den ram des vuloffers,
Welverstaande ten aanzien van dien tijd, toen het priesterschap eerst ingesteld werd en Mozes het ambt van een extraordinair priester bediende. Want daarna heeft hij dat niet meer gedaan, zich houdende bij de bediening van het politieke en profetische ambt, en zijne kinderen onder de gemene Levieten stellende.
 
7)hij heiligde Aaron,
Zie boven, Lev. 8:10.
 
8)dat eten.
Te weten, het overige van het vlees en brood, dat in den korf is.
 
9)uw handen vullen.
Dat is, door zekere ceremoniën in uw priesterambt bevestigen. Zie boven, Lev. 7:37.
 
10)wacht des HEEREN waarnemen,
Of, deze ordinantie des Heeren onderhouden. Versta, den schuldigen plicht der priesters in het waarnemen en onderhouden van al wat hun in den tabernakel te doen bevolen was, en bijzonder wat deze hunne wijding aanging. Vergelijk Num. 3:7,8, en Num. 9:19; 2 Kon. 11:5.
 
11)opdat gij niet sterft;
Gelijk Nadab en Abihu naderhand wedervaren is, toen zij, tegen de ordinantie, vreemd vuur den Heere geofferd hebben.
 
12)door de dienst van Mozes geboden had.
Hebreeuws, door de hand van Mozes; dat is, door zijn dienst en beleid. Zie Exod. 4:13; alzo onder, Lev. 10:11; Num. 16:40; Joz. 14:2.