1 2 3 4 5 6 7


1En gij,1) Bethlehem Efratha!2) zijt gij klein3) om te wezen onder de duizenden van Juda?4) Uit u zal5) Mij voortkomen,6) Die een Heerser zal zijn in IsraŽl,7) en Wiens uitgangen zijn8) van ouds, van de dagen der eeuwigheid.9)
2Daarom zal Hij10) henlieden11) overgeven,12) tot den tijd toe, dat zij, die baren zal,13) gebaard hebbe; dan zullen de overigen14) Zijner broederen zich bekeren15) met de kinderen IsraŽls.16)
3En Hij zal17) staan,18) en zal weiden19) in de kracht des HEEREN,20) in de hoogheid van den Naam des HEEREN, Zijns Gods, en zij zullen wonen,21) want22) nu zal Hij23) groot zijn tot aan de einden der aarde.24)
4En Deze zal Vrede zijn;25) wanneer Assur in ons land zal komen,26) en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen27) zeven28) herders,29) en acht vorsten30) uit de mensen.31)
5Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod32) in deszelfs ingangen.33) Alzo zal Hij ons redden van Assur,34) wanneer dezelve in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden.
6En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den HEERE,35) als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht,36) noch mensenkinderen verbeidt.
7Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds,37) als een jonge leeuw onder de schaapskudden; dewelke, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij,38) dat niemand redde.
8Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders,39) en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.40)
9En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien,41) en Ik zal uw wagenen verdoen.
10En Ik zal de steden uws lands uitroeien, en Ik zal al uw vestingen afbreken.
11En Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien, en gij zult geen guichelaars hebben.42)
12En Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat gij u niet meer zult nederbuigen voor het werk uwer handen.43)
13Voorts zal Ik uw bossen uit het midden van u uitroeien,44) en Ik zal uw steden verdelgen.
14En Ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen, die niet horen.45)