1 2 3 4 5 6 7


1Hoort nu, wat de HEERE zegt: Maak u op, twist met de bergen,1) en laat de heuvelen uw stem horen.
2Hoort, gij bergen! den twist des HEEREN, mitsgaders gij sterke fondamenten der aarde!2) want de HEERE heeft een twist met Zijn volk,3) en Hij zal Zich met Israël in recht begeven.
3O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan,4) en waarmede heb Ik u vermoeid?5) Betuig tegen Mij.
4Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost;6) en Ik heb voor uw aangezicht henen gezonden Mozes, Aaron7) en Mirjam.8)
5Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde,9) en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af10) tot Gilgal toe,11) opdat gij de gerechtigheden des HEEREN kent.12)
6Waarmede zal ik den HEERE13) tegenkomen,14) en mij bukken voor den hogen God?15) Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren?16)
7Zou de HEERE een welgevallen hebben aan duizenden van17) rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding,18) de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel?
8Hij heeft19) u bekend gemaakt, o mens!20) wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen,21) en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen22) met uw God?23)
9De stem des HEEREN roept24) tot de stad25) (want Uw Naam ziet26) het wezen):27) Hoort de roede,28) en wie ze besteld heeft!29)
10Zijn er niet nog,30) in eens ieders goddelozen huis,31) schatten der goddeloosheid32) en een schaarse33) efa,34) dat te verfoeien is?35)
11Zou ik rein zijn,36) met een goddeloze weegschaal37) en met een zak van bedriegelijke weegstenen?38)
12Dewijl haar rijke lieden vol zijn van geweld,39) en haar inwoners leugen spreken, en haar tong40) bedriegelijk is in haar mond;41)
13Zo zal Ik u ook krenken,42) u slaande, en verwoestende om uw zonden.
14Gij zult eten, maar niet verzadigd worden, en uw nederdrukking43) zal in het midden van u zijn;44) en gij zult aangrijpen,45) maar niet wegbrengen,46) en wat gij zult wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven.
15Gij zult zaaien, maar niet maaien; gij zult olijven47) treden,48) maar u met olie niet zalven, en most,49) maar geen wijn drinken.
16Want de inzettingen van Omri worden onderhouden,50) en het ganse werk van het huis van Achab; en gij wandelt in derzelver raadslagen;51) opdat Ik u stelle tot verwoesting,52) en haar inwoners53) tot aanfluiting;54) alzo zult gij de smaadheid Mijns volks dragen.55)