1 2 3 4 5 6 7


1Ai mij!1) want ik ben,2) als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld;3) als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten;4) mijn ziel begeert5) vroegrijpe vrucht.6)
2De goedertierene is vergaan7) uit het land,8) en er is niemand oprecht onder de mensen;9) zij loeren altemaal op bloed,10) zij jagen, een iegelijk zijn broeder, met een jachtgaren.11)
3Om met beide handen wel dapper kwaad te doen,12) zo eist de vorst,13) en de rechter oordeelt om vergelding;14) en de grote spreekt15) de verderving16) zijner ziel,17) en zij draaien ze dicht ineen.18)
4De beste van hen is19) als een doorn;20) de oprechtste is scherper dan een doornheg;21) de dag uw24)er22) wachters,23) uw bezoeking,25) is gekomen;26) nu zal27) hunlieder28) verwarring wezen.29)
5Gelooft een vriend niet,30) vertrouwt niet op een voornaamsten vriend;31) bewaar de deuren uws monds32) voor haar,33) die in uw schoot34) ligt.35)
6Want de zoon veracht den vader,36) de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; eens mans vijanden37) zijn zijn huisgenoten.38)
7Maar ik zal39) uitzien naar den HEERE,40) ik zal wachten op de God mijns heils;41) mijn God zal mij horen.
8Verblijd u niet over mij,42) o mijn vijandin!43) wanneer ik gevallen ben,44) zal ik weder opstaan;45) wanneer ik in duisternis46) zal gezeten zijn,47) zal de HEERE mij een licht zijn.48)
9Ik zal des HEEREN gramschap49) dragen,50) want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere;51) Hij zal mij brengen aan het licht;52) ik zal mijn lust53) zien aan Zijn gerechtigheid.54)
10En mijn vijandin zal het zien,55) en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is de HEERE, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien;56) nu zal zij worden tot vertreding,57) als slijk der straten.58)
11Ten dage als Hij uw59) muren zal herbouwen,60) te dien dage zal het besluit verre heengaan.61)
12Te dien dage zal het ook komen tot u toe,62) van Assur af,63) zelfs tot de vaste steden toe;64) en van de vestingen65) tot aan de rivier,66) en van zee tot zee,67) en van gebergte tot gebergte.
13Maar dit land zal worden tot een verwoesting,68) zijner inwoners halve,69) vanwege de vrucht hunner handelingen.70)
14Gij dan,71) weid Uw volk72) met Uw staf,73) de kudde74) Uwer erfenis,75) die alleen woont,76) in het woud, in het midden van een vruchtbaar land;77) laat ze weiden in Basan en Gilead,78) als in de dagen van ouds.
15Ik zal haar wonderen doen zien,79) als in de dagen, toen gij uit Egypteland uittoogt.80)
16De heidenen zullen het zien,81) en beschaamd zijn, vanwege al hun macht;82) zij zullen de hand op den mond leggen;83) hun oren zullen doof worden.84)
17Zij zullen het stof lekken, als de slang;85) als kruipende dieren der aarde,86) zullen zij zich beroeren uit hun sloten;87) zij zullen met vervaardheid komen tot den HEERE, onzen God,88) en zullen voor U vrezen.89)
18Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft,90) en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis91) voorbijgaat?92) Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid;93) want Hij heeft lust aan goedertierenheid.94)
19Hij zal Zich onzer weder ontfermen;95) Hij zal onze ongerechtigheden dempen;96) ja, Gij zult al hun zonden97) in de diepten der zee werpen.98)
20Gij zult Jakob de trouw,99) Abraham de goedertierenheid geven,100) die Gij onzen vaderen van oude dagen af gezworen hebt.101)