1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29


1Toen vergaderde David1) te Jeruzalem alle oversten van IsraŽl, de oversten der stammen, en de oversten der verdelingen,2) den koning dienende, en de oversten der duizenden, en de oversten der honderden, en de oversten van alle have en vee des konings en zijner zonen,3) met de kamerlingen,4) en de helden, ja, allen kloeken held.
2En de koning David stond op zijn voeten,5) en hij zeide: Hoort mij, mijn broeders, en mijn volk! Ik had in mijn hart een huis der rust6) voor de ark des verbonds des HEEREN te bouwen, en voor de voetbank der voeten7) onzes Gods, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen.
3Maar God heeft tot mij gezegd: Gij zult Mijn Naam geen huis bouwen, want gij zijt een krijgsman, en gij hebt veel bloeds vergoten.8)
4Nu heeft mij de HEERE, de God IsraŽls, verkoren uit mijns vaders ganse huis, dat ik tot koning over IsraŽl wezen zou in eeuwigheid;9) want Hij heeft Juda10) tot een voorganger verkoren, en mijns vaders huis in het huis van Juda; en onder de zonen mijns vaders heeft Hij een welgevallen aan mij gehad, dat Hij mij ten koning maakte over gans IsraŽl.
5En uit al mijn zonen (want de HEERE heeft mij vele zonen gegeven) zo heeft Hij mijn zoon Salomo verkoren, dat hij zitten zou op den stoel des koninkrijks des HEEREN over IsraŽl.
6En Hij heeft tot mij gezegd: Uw zoon Salomo, die zal Mijn huis en Mijn voorhoven bouwen; want Ik heb hem Mij uitverkoren tot een zoon, en Ik zal hem tot een Vader zijn.
7En Ik zal zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid,11) indien hij sterk wezen zal, om Mijn geboden en Mijn rechten te doen, gelijk te dezen dage.12)
8Nu dan, voor de ogen van het ganse IsraŽl, de gemeente des HEEREN, en voor de oren onzes Gods, houdt en zoekt13) al de geboden des HEEREN, uws Gods; opdat gijlieden dit goede land erfelijk bezit, en uw kinderen na u tot in eeuwigheid doet erven.
9En gij, mijn zoon Salomo, ken den God uws vaders,14) en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want de HEERE doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het gedichtsel15) der gedachten; indien gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar indien gij Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten.
10Zie nu toe, want de HEERE heeft u verkoren, dat gij een huis ten heiligdom bouwt; wees sterk, en doe het.16)
11En David gaf zijn zoon Salomo een voorbeeld17) van het voorhuis, met zijn behuizingen, en zijn schatkameren, en zijn opperzalen, en zijn binnenkameren, en van het huis des verzoendeksels;18)
12En een voorbeeld van alles, wat bij hem19) door den Geest was,20) namelijk van de voorhoven van het huis des HEEREN, en van alle kameren rondom; tot de schatten van het huis Gods,21) en tot de schatten der heilige dingen;
13En van de verdelingen22) der priesteren en der Levieten, en van alle werk van den dienst van het huis des HEEREN, en van alle vaten van den dienst van het huis des HEEREN.
14Het goud23) gaf hij naar het goudgewicht, tot alle vaten van elken dienst;25)24) ook zilver tot alle zilveren vaten bij gewicht, tot al de vaten van elken dienst;
15En het gewicht tot de gouden kandelaars, en hun gouden lampen, naar het gewicht van elken kandelaar en zijn lampen; ook tot de zilveren kandelaars, naar het gewicht van een kandelaar en zijn lampen, naar den dienst van elken kandelaar.
16Ook gaf hij het goud naar het gewicht tot de tafelen27) der toerichting, tot elke tafel,28) en het zilver tot de zilveren tafelen;
17En louter goud tot de krauwelen, en tot de sprengbekkens,29) en tot de schotelen, en tot gouden bekers, het gewicht tot elken beker,30) desgelijks tot zilveren bekers, tot elken beker het gewicht;
18En tot het reukaltaar gelouterd goud in gewicht; en goud tot het voorbeeld des wagens,31) te weten der cherubim, die de vleugels zouden uitbreiden, en de ark des verbonds des HEEREN overdekken.
19Dit alles heeft men mij,32) zeide David, bij geschrift33) te verstaan gegeven van de hand des HEEREN, te weten al de werken dezes voorbeelds.
20En David zeide tot zijn zoon Salomo: Wees sterk, en heb goeden moed, en doe het, vrees niet, en wees niet verslagen; want de HEERE God, mijn God, zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, en Hij zal u niet verlaten, totdat gij al het werk tot den dienst van het huis des HEEREN zult volbracht hebben.
21En zie, daar zijn de verdelingen der priesteren en der Levieten, tot allen dienst van het huis Gods; en bij u zijn tot alle werk allerlei vrijwilligen, met wijsheid tot allen dienst, ook de vorsten, en het ganse volk, bereid tot al uw bevelen.34)