1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48


1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
2Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk des lands een man uit hun einden nemen, en dien voor zich tot een wachter stellen;
3En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk;
4En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd.
5Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel.
6Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg; die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen.
7Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
8Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
9Maar als gij den goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van dien bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel bevrijd.
10Daarom, gij mensenkind! zeg tot het huis Israëls: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven?
11Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?
12Gij dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid 5)des rechtvaardigen1) zal hem niet redden2) ten dage zijner overtreding;3) en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen,4) ten dage als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijn gerechtigheid, ten dage als hij zondigt.
13Als Ik tot den rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal,6) en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven.
14Als Ik ook tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven!7) en hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet;
15Geeft de goddeloze het pand weder,8) betaalt hij het geroofde,9) wandelt hij in de inzettingen des levens, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zekerlijk leven,10) hij zal niet sterven.
16Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden;11) hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven.
17Nog zeggen de kinderen uws volks:12) De weg des Heeren is niet recht; daar toch hun eigen weg niet recht is.
18Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.
19En als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, en doet recht en gerechtigheid, zo zal hij daarin leven.
20Nog zegt gij: De weg des Heeren is niet recht; Ik zal ulieden richten,13) een ieder naar zijn wegen, o huis Israëls!
21En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering,14) in de tiende maand,15) op den vijfden der maand, dat er een tot mij kwam,16) die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.17)
22Nu was de hand des HEEREN op mij geweest des avonds,18) eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij des morgens19) tot mij kwam. Alzo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom.20)
23Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
24Mensenkind! de inwoners van die woeste plaatsen21) in het land Israëls spreken, zeggende: Abraham was een enig man,22) en bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen; het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting.
25Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Gij eet vlees23) met het bloed,24) en heft uw ogen op tot uw drekgoden,25) en vergiet bloed; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?26)
26Gij staat op ulieder zwaard;27) gij doet gruwel, en verontreinigt,28) een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?
27Alzo zult gij tot hen zeggen: De Heere HEERE zegt alzo: Zo waarachtig als Ik leef,29) indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet dien, die in het open veld is,30) het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de spelonken zijn,31) door de pestilentie zullen sterven!
28Want Ik zal het land tot een verwoesting en een schrik stellen,32) en de hovaardij zijner sterkte zal ophouden; en de bergen Israëls33) zullen woest zijn, dat er niemand overga.
29Dan zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik het land tot een verwoesting en een schrik zal gesteld hebben, om al hun gruwelen, die zij gedaan hebben.
30En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen;34) en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijn broeder, zeggende: Komt toch en hoort, wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt.
31En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen,35) en zitten voor uw aangezicht36) als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond,37) maar hun hart wandelt hun gierigheid na.
32En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen,38) als een, die schoon van stem is, of die wel speelt;39) daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet.
33Maar als dat komt (zie, het zal komen!)40) dan zullen zij weten, dat er een profeet41) in het midden van hen geweest is.