1)Korach nu,
Deze was het hoofd van de samenrotting en beroerte, [Num. 16:22,49], wien het nochtans het minst betaamde, als zijnde een Leviet, gelijk hier en onder, Num. 16:5,6 te zien is.
 
2)On,
Die hierna niet meer werd genoemd; waaruit sommigen afnemen dat hij zich beter bedacht en bekeerd heeft.
 
3)zonen van Ruben.
Of, kinderen; dat is, nakomelingen van Ruben. Dit is te verstaan van Dathan, Abiram en On, Ruben was wel de eerstgeborene, maar had het recht der eerstgeboorte door zijn schandelijke misdaad verloren; hoewel dezen [zoals het schijnt] daarop te moediger zijn geweest, gelijk Korach op de afkomst van Levi.
 
4)stonden op
Dat is, zij stonden op tegen Mozes, samenspannende als onder zijn ogen, of in zijn tegenwoordigheid.
 
5)oversten der vergadering,
Zodanigen hadden zij aan zich getrokken, om hun voornemen bij de gemeente aanzienlijk te maken.
 
6)de geroepenen der samenkomst,
Zie Num. 1:16.
 
7)mannen van naam.
Zie Gen. 6:4.
 
8)Het is te veel voor u,
Hebreeuws, veel voor ulieden, of ulieden veel; dat is, het is genoeg, of, te veel voor u beiden [vergelijk Ezech. 44:6], want de andere Israëlieten zijn even goed en even na tot het priesterdom en de regering als gij beiden.
 
9)gijlieden u over de gemeente
Mozes [willen zij zeggen] in de politie en Aäron in het priesterdom.
 
10)viel hij op zijn aangezicht.
Zeer ontsteld en bedroefd zijnde, en zuchtende tot God, dat Hij dit gruwelijk oproer wilde stillen.
 
11)sprak tot Korach,
Door Gods ingeven en besturing, met een vast vertrouwen van een goede uitkomst in deze zaak, gesterkt en welberaden zijnde.
 
12)vergadering,
Allen, die bij hem vergaderd waren, zijn ganse rot.
 
13)wie de Zijne,
Wien Hij tot het priesterdom verkoren heeft.
 
14)verkoren zal hebben,
Hebreeuws, verkiezen zal; dat is, betonen zal verkoren te hebben; alzo in het volgende.
 
15)morgen vuur daarin,
Te weten, vroeg, gelijk Num. 16:5 gezegd is.
 
16)Het is te veel voor u,
Dat is, gij behoort met uw deel [waarvan in de volgende verzen gesproken wordt] wel tevreden te zijn; of, het is hoog en ver genoeg, houdt op en staat af van dit kwade voornemen.
 
17)doen naderen;
Zie boven, Num. 3:6,7,8,11,12, enz.
 
18)te roepen;
Willende beproeven of hij hen met redenen, vermaningen en bestraffingen [gelijk aan Korach en de anderen, hoewel tevergeefs, geschied was] mocht bewegen tot afstand.
 
19)zeiden:
Lieten Mozes voor antwoord wederzeggen.
 
20)land,
Egypteland.
 
21)ten enenmaal
Hebreeuws, uzelven tot een overheer of vorst maakt, ook uzelven tot een overheer makende.
 
22)dat van melk en honig vloeit,
Waarvan gij zoveel gesproken hebt, willen zij zeggen. Zie Exod. 13:5; Lev. 20:24, enz.
 
23)ogen dezer mannen uitgraven?
Dat is, blinddoeken, gelijk men zegt, verstand en oordeel bedwelmen, dat zij uw bedrog niet zouden merken.
 
24)ontstak Mozes zeer,
Hebreeuws, ontstak den Mozes; te weten, den toorn. Versta, een heilige toornigheid, uit groten ijver voor Gods eer, tegen deze vijanden Gods en zijn instelling. Vergelijk Gen. 4:5.
 
25)Zie hun offer niet aan!
Vergelijk Gen. 4:4. Anders, spijsoffer.
 
26)een ezel van hen genomen,
Hij wil zeggen: ik heb niemand van hen in het minst verkort of enig leed aangedaan, maar ter contrarie hen niet dan alles goeds gewild en gedaan. Vergelijk 1 Sam. 12:3.
 
27)hen verzamelen,
Mozes en Aäron.
 
28)de heerlijkheid des HEEREN
In de wolkkolom, die een wonderlijk teken was van de bijzondere tegenwoordigheid Gods. Alzo onder, Num. 16:42.
 
29)ogenblik verteren!
Dat is, zeer haast; alzo onder, Num. 16:45.
 
30)geesten
Dat is, der zielen, die Gij geschapen hebt, zijnde alzo de auteur des levens. Alzo wordt geest voor ziel genomen, Ps. 31:6, en Ps. 146:4; Pred. 12:7; Luk. 8:55, en Luk. 23:46; Hand. 7:59; Hebr. 12:9.
 
31)vlees!
Dat is, aller mensen. Zie Gen. 6:12.
 
32)een enig man zal gezondigd hebben,
Namelijk, Korach. Zie boven, Num. 16:1, en onder, Num. 16:49.
 
33)in al hun zonden.
Dat is, in de straf, die hun vanwege al hun zonden overkomen zal. Zie Gen. 4:13.
 
34)met hun vrouwen,
Dat is, met hun ganse huisgezinnen.
 
35)dat zij niet uit mijn eigen hart zijn.
Dat is, dat ik die niet van mijzelven versierd en uit eigen wil, of op mijn eigen autoriteit gedaan heb. Vergelijk onder, Num. 24:13; Ezech. 13:2, met de aantekeningen.
 
36)gelijk alle mensen sterven,
Dat is, op een algemene, bekende, gewone wijze.
 
37)bezoeking zal gedaan worden,
Dat is, indien zij met een algemene, bekende of gewone plaag van God gestraft worden.
 
38)zo heeft mij de HEERE niet gezonden.
Dat is, zo zal daaruit blijken dat mij de HEERE niet gezonden heeft.
 
39)nieuws zal scheppen,
Hebreeuws, een schepping zal scheppen; dat is, door zijn goddelijke almacht een nieuw en tevoren ongehoord wonderwerk zal doen. Zie Gen. 1:1.
 
40)helle zullen nedervaren;
Of, in het graf, in de groef, kuil, put, enz. Dat is, in de kloof, die door Gods kracht in het aardrijk gescheurd zou worden. Van het Hebreeuwse woord Scheol zie Gen. 37:35, en vergelijk Ps. 55:16.
 
41)alle mensen,
Uitgezonderd de zonen van Korach, welke niet zijn omgekomen, als dienende misschien te dezer tijd in de tent der samenkomst, en van huns vaders oproerig voornemen niet wetende, of immers hetzelve niet toestemmende. Zie onder, Num. 26:11; 1 Kron. 6:22,37.
 
42)alles wat hunner was,
Of, allen die hun toebehoorden.
 
43)helle;
Zie Num. 16:30.
 
44)tweehonderd en vijftig mannen,
Zie boven, Num. 16:2,16,18.
 
45)verre weg;
Of, ginds, ginderheen; dat is, doe het strooien, geef last dat men het strooie buiten het leger aan de plaats, waar men de as stortte, gelijk sommigen verstaan.
 
46)zij zijn heilig;
Te weten, de wierookvaten [gelijk volgt] in welke deze mannen, op Mozes' bevel, vuur en reukwerk voor den HEERE hadden gebracht.
 
47)die tegen hun zielen gezondigd hebben;
Dat is, die door de gruwelijke zonde het verderf zichzelven op den hals gehaald hebben. Vergelijk 1 Kon. 2:23; Spreuk. 20:2.
 
48)uitgerekte platen daarvan make,
Hebreeuws, uittrekking van platen. Versta, dat men die door slaan uitrekken zou, om alzo brede platen er van te maken.
 
49)teken zijn.
Tot een gedenkteken van deze goddelijke wraak over zodanige oproermakers, die zich tegen Gods ordinantie gesteld hadden, opdat een ieder zich voor zulk kwaad lere wachten. Zie Num. 16:40.
 
50)worde als Korach,
Dat is, dat het hem niet ga gelijk Korach, enz.
 
51)dienst van Mozes
Hebreeuws, de hand.
 
52)gesproken had.
Dat is, voorzegd, bedreigd had.
 
53)wolk;
De wolkkolom bedekte de tent der samenkomst. Zie boven, Num. 16:19.
 
54)Maak u op uit het midden
Of, hef u op.
 
55)zij op hun aangezichten.
Te weten, Mozes en Aäron. Zie boven, Num. 16:4,22.
 
56)doe over hen verzoening;
Zie Lev. 1:4.
 
57)toorn
Dat is, een grote straf is van den toornigen God uitgezonden, en begint bereids aan te gaan.
 
58)opgehouden.
Of, gestuit, bedwongen, ingehouden; te weten, van God. Vergelijk 2 Sam. 24:21,25.
 
59)zaak van Korach.
Het oproer, waarvan Korach de stichter was. Zie boven, Num. 16:1.