1)de Geest zegt duidelijk,
Namelijk de Heilige Geest, door Zijn buitengewoon ingeven in de apostelen en andere profeten. Zie Hand. 20:23, en Hand. 21:4.
 
2)in de laatste tijden
Of in de volgende tijden. Zie 2 Tim. 3:1.
 
3)van het geloof,
Dat is, van de ware leer des geloofs, gelijk de volgende woorden bewijzen. Zie 2 Thess. 2:3; 2 Petr. 2:1.
 
4)verleidende geesten,
Hierdoor worden òf de boze geesten zelf verstaan, gelijk in het volgende lid, òf de geesten der valse leraars, gelijk 1 Joh. 4:1.
 
5)der duivelen,
Dat is, waarvan de duivel auteur of ingever is.
 
6)geveinsdheid der
Grieks in geveinsdheid; dat is, onder den schijn van heiligheid en van een harder leven te willen leiden; het is ene gelijkenis, genomen van de toneelspelers, die dikwijls een persoon voorstellen dien zij niet zijn.
 
7)met een brandijzer
Namelijk zo toegeschroeid dat zij geen gevoel heeft, want daartoe vervallen eindelijk door een rechtvaardig oordeel Gods de valse leraars, of bijgelovige mensen. Zie Ef. 4:19; 2 Thess. 2:11.
 
8)gebiedende van
Dat dit tegenovergesteld woord hier moet verstaan worden, blijkt klaar uit de volgende woorden, gelijk zulke voorbeelden meer voorkomen. Zie een ander 1 Cor. 14:34, en hiervoor 1 Tim. 2:12.
 
9)die de waarheid
Dat is de ware gelovigen, wie alle dingen rein zijn, ook alle spijs met matigheid gebruikt; Tit. 1:15.
 
10)niets verwerpelijk,
Namelijk in zich zelf, ten tijde des Nieuwen Testaments, nu het onderscheid der spijzen is weggenomen. Zie Hand. 10:15.
 
11)geheiligd
Dat is, tot een recht en heilig gebruik gericht of bekwaam gemaakt, gelijk 1 Cor. 7:14.
 
12)door het Woord
Dat is, door de verklaring, die ons Gods woord daarvan geeft. Zie Tit. 1:15.
 
13)het gebed.
Namelijk dat het ons tot gezondheid en zegen moge gedijen waaronder ook de dankzegging wordt begrepen. Zie Matth. 15:36; Joh. 6:11.
 
14)opgevoed in de woorden
Namelijk van uwe kindsheid af, gelijk hij daarbij doet 2 Tim. 3:15.
 
15)des geloofs en der
Dat is, der gezonde leer des geloofs, gelijk de volgende woorden verklaren.
 
16)fabelen; en oefen
Namelijk waar de Joodse Talmudisten nog vol van zijn, waarvan Paulus ook spreekt Tit. 1:14, en Tit. 3:9, en waartoe hij voorzegt, dat ook enige christen-leraars in de laatste tijden zullen vervallen; 2 Tim. 4:4.
 
17)de lichamelijke oefening
Hierdoor verstaan sommigen de oefening dergenen, die om den prijs streden met worstelen, lopen en anderszins, gelijk het Griekse woord gymnasia soms betekent, waardoor maar enige lichamelijk weldaad werd verkregen; maar daar Paulus hier handelt van zaken, die den godsdienst aangaan, zo verstaan anderen dit bekwamelijker van enige oefening des lichaams, waardoor het getemd of getuchtigd wordt, gelijk daar is vasten, waken, onthouding van enige spijzen of kleding, anderszins geoorloofd. Van deze zegt de apostel, dat zij wel enige nuttigheid kunnen hebben, maar nochtans weinig ten aanzien van de godzaligheid zelf, daar die ook kunnen misbruikt worden, en in bijgelovigheden verkeren, gelijk Paulus getuigt Col. 2:23; maar de godzaligheid is Gode altijd aangenaam en tot alles dienstig.
 
18)hebbende de belofte
Namelijk van Christus zelf, Matth. 6:33.
 
19)een getrouw woord,
Dat ene vaste en waarachtige belofte.
 
20)gehoopt hebben
Namelijk in al zonze zwarigheden en verdrukkingen.
 
21)een Behouder is
Grieks soter; welk woord sommigen hier overzetten Zaligmaker. Doch daar God geen Zaligmaker is dan van de gelovigen, Joh. 3:36 en elders, zo kan het hier in dien zin niet genomen worden, maar alleen voor een beschermer en behoeder, gelijk het Griekse woord sozein in het algemeen voor allerlei behoeden en bewaren menigmaal wordt gebruikt, ja ook Ps. 36:6,7, om de goedheid Gods jegens de Zijnen te prijzen, gezegd wordt, dat Hij mensen en vee behoedt.
 
22)Niemand verachte
Dat is, geef niemand oorzaak door uw handel en wandel, dat u iemand om uwe jonkheid met reden zou kunnen verachten; welken zin de volgende woorden vereisen.
 
23)in den geest,
Dat is, ijver des Geestes, of gaven des Geestes.
 
24)in het lezen, in
Namelijk der Heilige Schrift, gelijk hij daarbij voegt; 2 Tim. 3:14, enz.
 
25)Verzuim
Dat is, verwek haar en leg haar wel aan, besteed haar wel, 2 Tim. 1:6,7.
 
26)de gave niet,
Hierdoor wordt zowel het beroep als de gave daartoe nodig verstaan, gelijk de volgende woorden uitwijzen.
 
27)de profetie, met
Zie hiervan de aantekening op 1 Tim. 1:18.
 
28)des ouderlingschaps.
Dat is, van de vergadering der ouderlingen, of de opzieners der gemeente, in wier naam en tegenwoordigheid Paulus de handen Timotheus had opgelegd 1 Tim. 6:12; want dat Paulus dit zelf gedaan heeft, blijkt uit 2 Tim. 1:6, en wel te Lystre, gelijk af te leiden is uit Hand. 16:1,2.
 
29)uw toenemen openbaar
Namelijk in gaven en godzaligheid.
 
30)in alles.
Namelijk dingen; of, onder alle; namelijk mensen.
 
31)uzelven behouden,
Namelijk door het woord, als een instrument en dienaar van Christus, in wien het woord der verzoening is gelegd, 2 Cor. 5:19; zo nochtans, dat noch die plant iets is noch die nat maakt, maar God die den wasdom geeft; 1 Cor. 3:7.