1)Ramathaim
Dit woord staat in het Hebreeuws in het getal van twee alsof men zeide tweevoudig Rama, omdat deze stad [zoals men meent] in tweeŽn is verdeeld geweest. Zij wordt Matth. 27:57 genoemd Arimathea.
 
2)zofim,
Dat is, de Zofieten, of der inwoners van het land Zuf, waarvan gesproken wordt onder, 1 Sam. 9:5.
 
3)Efraim,
Hiermede wordt deze stad onderscheiden van Rama in Benjamin, en van Rama in den stam Nafthali, en andere steden meer, die Rama genoemd worden.
 
4)Efrathiet.
Anders, een Efraïmiet, gelijk Richt. 12:5. Dat is, van een die in het land van Efraïm geboren is, doch van afkomst was hij uit den stam van Levi; 1 Kron. 6:27.
 
5)van jaar tot jaar
Hebreeuws, van dagen tot dagen. Het Hebreeuwse woord Jamim wordt in de Heilige Schrift dikwijls voor jaren gebruikt, en hier wordt gesproken van de drie jaarlijkse feestdagen der Joden. Zie Lev. 25:29.
 
6)Silo;
Waar de tabernakel was; Joz. 18:1.
 
7)priesters des HEEREN,
Te weten, onder hun vader Eli, die hogepriester was.
 
8)offerde,
Te weten, dankoffer, waarvan degene die het offerde zijn deel had, hetwelk hij met zijn huisgezin eten mocht.
 
9)delen.
Te weten, van het offer. Zie Deut. 12:12, en Deut. 16:11.
 
10)aanzienlijk deel,
Wat schoon en heerlijk was aan te zien. Hebreeuws, een stuk van twee aanzichten. Deze beleefdheid deed Elkana zijn vrouw Hanna, om haar daarmede te vermaken.
 
11)lief;
Dat is, zonderling lief, liever dan hij Peninna had. Zie dergelijk exempel Gen. 29:30.
 
12)doch de HEERE had haar baarmoeder toegesloten.
Zie Gen. 20:18.
 
13)haar tegenpartijdige
Te weten, Peninna, die haar afgunstig was; Lev. 18:18.
 
14)om haar te vergrimmen,
Anders, dewijl zij donderde; dat is, met onstuimige woorden uitvoer.
 
15)alzo
Te weten, gelijk 1 Sam. 1:4,5, verhaald wordt.
 
16)hij jaar op jaar;
Te weten, Elkana.
 
17)zij opging
Te weten Hanna.
 
18)zo tergde zij haar alzo;
De zin dezer woorden is, dat Peninna Hanna heeft getergd, beroerd en tot toorn verwekt.
 
19)at niet.
Dat is, zij at zeer weinig.
 
20)hij gegeten,
Te weten, Elkana, want het schijnt dat zij òf niet, òf weinig gegeten heeft.
 
21)van den tempel des HEEREN.
Dat is, van den tabernakel, want in dezen tijd was de tempel nog niet gebouwd.
 
22)van ziel bitterlijk bedroefd zijnde,
Hebreeuws, bitter van ziel. Vergelijk Richt. 18:25.
 
23)zij weende zeer.
Hebreeuws, zij weende wenende.
 
24)beloofde een gelofte,
Te weten, met kennis en believen van haar man; want anderszins was de belofte der vrouwen krachteloos, zie Num. 30:8.
 
25)zo Gij eenmaal de ellende Uwer dienstmaagd aanziet,
Hebreeuws, indien gij ziende ziet.
 
26)
Aldus noemt zij haar onvruchtbaarheid; zie Gen. 29:32.
 
27)een mannelijk zaad,
Hebreeuws, een zaad der mannen; dat is, een zoon.
 
28)geven al de dagen zijns levens,
Dat is, toeŽigenen tot uw dienst.
 
29)daar zal geen scheermes op zijn hoofd komen.
Dat is, hij zal een nazireŽr zijn; Num. 6:5.
 
30)als zij evenzeer bleef biddende
Hebreeuws, vermenigvuldigende te bidden.
 
31)Doe uw wijn van u.
Dat is, leg u te slapen, opdat gij den wijn verteert en uitslaapt.
 
32)bezwaard van geest;
Hebreeuws, hard van geest, of gemoed.
 
33)mijn ziel uitgegoten
Dat is, mijns harten nood en benauwdheid.
 
34)toch uw dienstmaagd
Hebreeuws, stel uw dienstmaagd niet voor een dochter Belials.
 
35)een dochter Belials;
Zie Deut. 13:13.
 
36)zal uw bede geven,
Of, geve u uwe bede.
 
37)Laat uw dienstmaagd genade vinden in uw ogen!
Met deze woorden begeert zij dat Eli voor haar God den Heere voorgaan haar verkwikt.
 
38)zij at,
Want de woorden van Eli hadden haar verkwikt.
 
39)haar aangezicht
Hebreeuws, haar aangezicht was haar niet meer; te weten, dat droeve aangezicht, hetwelk zij tevoren gehad had.
 
40)aanbaden
Zie Gen. 24:26; alzo onder, 1 Sam. 1:28.
 
41)te Rama.
1 Sam. 1:1, te Ramathaïm.
 
42)bekende
Dat is, besliep, gelijk Gen. 4:1.
 
43)gedacht aan haar.
Dat is, Hij liet met de daad blijken dat Hij haar gebed verhoord had.
 
44)toog op
Te weten, naar Silo, gelijk boven, 1 Sam. 1:3.
 
45)om den HEERE te offeren
Te weten, hetgeen hij beloofd had den Heere te offeren, tot een teken der dankbaarheid, dat de Heere hem een zoon van zijn huisvrouw Hanna gegeven had, of om zijn belofte en die zijner vrouw, aangaande het kind, te volbrengen.
 
46)het jaarlijkse offer,
Hebreeuws, het offer der dagen; dat is, hetwelk op de zekere feestdagen ieder jaar geofferd werd.
 
47)Hanna toog niet op:
Den vrouwen was niet bevolen ieder jaar op trekken [hoewel zij het wel mochten, en somtijds ook plachten te doen] maar den mannen alleen, Exod. 23:17.
 
48)in eeuwigheid.
Dat is, zijn levensdagen. Zie boven, 1 Sam. 1:11, en onder, 1 Sam. 1:28.
 
49)een efa meels,
Zie Exod. 16:36, en Lev. 5:11.
 
50)zo waarachtig als uw ziel leeft,
Dat is, zo waarachtig als gij leeft.
 
51)overgegeven
Anders, geleend; te weten, om in den tabernakel te dienen.
 
52)al de dagen,
Anders, al de dagen, die hij wezen zal, zal hij den Heere gegeven zijn.
 
53)hij bad aldaar den HEERE aan.
Te weten, SamuŽl, of Eli, of ook Elkana en Hanna.