1)uitdelers der
Gr. Oikonomous. Dat is, huisverzorgers, of uitdelers van Gods huis. Namelijk in het uitdelen en bedienen van Zijn Woord en Zijne sacramenten, 1 Cor. 2:7. Zie van dit woord Luk. 16:1.
 
2)getrouw bevonden
Dat is, zijn last hierin niet tebuiten ga, of tekort doe; Hebr. 3:5.
 
3)een menselijk oordeel;
Gr. een menselijken dag; ene manier van spreken genomen van de gewone gerichten, in welke op zekere gezette dagen vierschaar wordt gehouden, om te oordelen hetgeen voorvalt. Niet dat de ene profeet ook van den ander niet zou mogen oordelen, want het tegendeel beveelt hij 1 Cor. 14:29; maar hij spreekt van zulk een oordeel, als in de volgende woorden zal aangetekend worden. En Paulus ziet hier inzonderheid op den uitersten dag, wanneer alles zal geoordeeld worden naar behoren; Matth. 25:14, enz.; Luk. 19:12.
 
4)oordeel ook mijzelven
Dit wordt verstaan, niet van een oordeel der beproeving van onszelven, of wij in het geloof zijn en hoe wij met God staan, 1 Cor. 11:28, en 2 Cor. 13:5, maar van een oordeel, waardoor iemand zichzelven boven een ander verheft en prijst in zijn dienst; of beneden een ander stelt of misprijst, gelijk dit hier in sommigen bestraft wordt, dat de een Paulus boven Petrus, enz. verhief, en de ander wederom Petrus of Apollos, enz. boven hen zette. Dit is het, dat hij aan Gods oordeel hier onderwerpt, dewijl de mensen hierin menigmaal uit genegenheden oordelen, gelijk het volgende ook uitwijst.
 
5)geen ding bewust;
Namelijk wat aangaat het trouwelijk bedienen mijns apostelschaps; daarin heb ik een goede conscientie; want hiervan alleen spreekt de apostel.
 
6)daardoor niet
Namelijk voor God, of in Gods gericht; gelijk David ook spreekt Ps. 143:2, en Paulus Gal. 2:16. Want iets anders is het, een goede conscientie te hebben in zijn doen voor God, tot zijn eigen troost, 1 Joh. 3:21, en iets anders door zijn doen voor God rechtvaardig te zijn. Het eerste toont de naarstigheid en oprechtheid van zijn doen, die David ook dikmaals in zijne psalmen betuigt; het andere ene volmaaktheid zonder gebreken, die Paulus, gelijk ook David, in zichzelven niet vond; Ps. 19:13; Filipp. 3:12,13, enz.
 
7)die mij oordeelt
Namelijk als opperste rechter, niet alleen in de uitwendige zaak mijner bediening, maar ook mijner conscientie, waarvan de Heere Christus alleen de rechter is, die daarvan metterdaad ten uitersten dage zal richten, gelijk het volgende vers 1 Cor. 4:5 verklaart.
 
8)vóór den tijd,
Namelijk des oordeels, in welken Christus ook de verborgen zaken der conscientie zal aan den dag brengen; Rom. 2:16.
 
9)hetgeen in de
Gr. de verborgen dingen der duisternis.
 
10)de raadslagen der
Dat is, met welke oprechtheid, en tot welk einde elk zijn doen in zijn dienst zal gericht hebben. Waardoor hij schijnt te bestraffen degenen, die het Evangelie wel prediken, maar meer tot hun eigen eer of om gunst van mensen, dan tot Gods eer, en uit begeerte van de zaligheid der mensen.
 
11)lof hebben van God.
Dat is, niet alleen een openbare getuigenis van zijn weldoen, maar ook beloning; Rom. 2:6; 2 Cor. 5:10.
 
12)deze dingen,
Sommigen verstaan daardoor hetgeen de apostel van de gebreken en opgeblazenheid van enige leraars hiervoren gezegd heeft, en dat hij dezelve in zijn en Apollos' persoon zou bestraft hebben, zonder hunne namen uit te drukken, om hen te sparen; maar alzo hiervoren vele dingen in den persoon van Paulus, Cefas en Apollos gezegd zijn, die op zulke leraars niet kunnen passen, en ook Paulus niet gewoon is der zodaniger gebreken op zich te nemen, om die te sparen, maar veel meer zijn voorbeeld tegen zodanigen te stellen om de gemeente voor hen te waarschuwen; zo wordt dit wel zo gevoegelijk verstaan van de gebreken der gemeente zelve, die zodanig onderscheid onder de getrouwe leraars en apostelen maakten, waardoor deze verdeeldheden werden veroorzaakt, zonder dat al de leraars daarvan de schuld hadden; en verklaart dat hij in zijner en Apollos' persoon hun had getoond waarvoor zij de leraars, wie zij ook waren, moesten houden, namelijk alleen als dienaars van Christus, die hen tot Christus wezen, en tot de rechte enigheid in Christus, en niet tot zichzelven, om een bijzonderen aanhang te maken.
 
13)om uwentwil;
Dat is, om u recht te onderwijzen, hoe gij u ten aanzien van uw leraars moet gedragen, en in welke achting gij hen moet hebben.
 
14)niet te gevoelen
Namelijk nog van uwe leraars, noch van uzelven, die door hen onderwezen zijt.
 
15)boven hetgeen
Namelijk doorgaans in het Woord Gods, dat ons alom de nederigheid en enigheid aanprijst; of boven hetgeen hiervoren van ons aan u is geschreven.
 
16)de een om eens
Dat is, de ene lidmaat der gemeente tegen den ander, omdat hij door dezen of door dien leraar tot Christus is gebracht, en door zijn dienst zulke of zulke gaven tot stichting van Christus' gemeente is deelachtig geworden.
 
17)wie onderscheidt u?
Namelijk hetzij dat gij een leraar zijt, die in gaven anderen teboven gaat, hetzij een lidmaat der gemeente, die door dezen of dien leraar tot het geloof in Christus en andere geestelijke gaven gebracht zijt. Het is dan God in Christus [wil hij zeggen], die door Zijne genade u onderscheidt van anderen niet de leraar, niet gij uzelven. Want hoewel Paulus plant, Apollos natmaakt, het is God alleen die den wasdom geeft; 1 Cor. 3:6.
 
18)Alrede zijt
Dat is, gij beeldt uzelven in dat gij nu gans gelukkig zijt, en dat u in geestelijke gaven niet meer ontbreekt, maar dat gij de volmaaktheid in alles hebt verkregen en boven alle anderen uitmunt, gelijk een koning in zijn rijk. Hetwelk de apostel verwijtenswijze zegt, om hen daarna door zijn voorbeelden de aanmerking van zijn ellendigen staat tot nederigheid te vermanen. Zie dergelijke Openb. 3:17.
 
19)zonder ons hebt
Dat is, zonder dat wij aan uwe heerschappij of inbeelding van heerschappij, rust en welstand, deel gehad hebben.
 
20)och of gij
Namelijk inderdaad en waarheid.
 
21)wij met u
Dit zegt hij, omdat iemand, die een ander bemint, daarover vrolijk is als het hem welgaat en als hij in alles voorspoedig is, en het geluk van den zodanige als zijn eigen acht.
 
22)Want ik acht
Hier begint hij, tot ene waarschuwing, zijn voorbeeld en dat van de andere apostelen voor te stellen, om hen tot nadenken en een nederig gevoelen van zichzelven en van hun staat te brengen, en hen veel meer tot lijden dan tot roem te vermanen.
 
23)die de laatste
Dat is, die het laatst geroepen zijn na Christus' hemelvaart, als Paulus, Barnabas, Silas, Apollos, Timotheus en dergelijken, welke daarom van sommigen ook uit kleinachting laatste apostelen werden genaamd. Zie van dezen naam Rom. 16:7; 2 Cor. 8:23.
 
24)tentoon heeft
Of, tevoorschijn gebracht. Paulus ziet hier op de gewoonte der heidenen, die de misdadigers in de openbare schouwplaatsen tevoorschijn brachten, om hen tot vermaak van anderen den wilden beesten voor te werpen, of hen tegen deze beesten tot den dood toe te doen vechten. Hetwelk ook aan de Christenen bij hen dikwijls is geschied; 1 Cor. 15:32.
 
25)der wereld, en
Dat is, de redelijke creaturen in de wereld, die hij verdeelt in engelen en mensen, waarvan de goede engelen en goede mensen getuigen waren van hun lijden en met hen medelijden hadden; en de kwade engelen en mensen daar ook een vermaak in hadden, gelijk in de schouwplaatsen allerlei volk en oordelen werden bevonden.
 
26)werkende met onze
Zie hiervan een voorbeeld in Paulus; Hand. 18:3, en 1 Cor. 9:6.
 
27)uitvaagsel der
Dat is, waar wij komen, de wereldse mensen zoeken ons kwijt te raken, en werpen ons uit als vuiligheid en afschrapsel, of ook als vervloekte mensen, gelijk het Griekse woord katharma ook somwijlen wordt genomen. Zie Klaagl. 3:45.
 
28)tot nu toe.
Dat is, niet eens of twee maal, maar geduriglijk tot nu toe.
 
29)vermaan ik u.
Namelijk om u tot nadenken en betering van deze gebreken te brengen.
 
30)leermeesters in
Gr. Paidagogous; dat is, leermeesters of tuchtmeesters; namelijk die u in de zaken van Christus verder onderwijzen, nadat gij van mij door het Evangelie van Christus zijt gewonnen. En dit zegt de apostel, omdat een vader met meerder beweging en oprechter liefde zijn kinderen onderricht dan wel een tuchtmeester; zie 2 Cor. 11:20.
 
31)geteeld.
Of, gewonnen, gegenereerd; dat is, eerst tot het geloof gebracht. Want de predikatie des Evangelies is het middel, waardoor wij van Gods Geest wedergeboren worden; Filem.:10; 1 Petr. 1:23.
 
32)navolgers.
Namelijk in nederigheid, vreedzaamheid, lijdzaamheid, eenvoudigheid, enz.
 
33)mijn lieve en
Namelijk niet alleen omdat ik hem voor Christus door het Evangelie heb gewonnen, maar ook omdat hij mijne voetstappen, als een oprecht zoon in alles navolgt; 1 Tim. 1:2, en 1 Tim. 4:6.
 
34)mijne wegen
Dat is, mijn wandel in mijn leven, Ps. 1:1,6, en mijne wijze van doen in het Evangelie van Christus, met alle oprechtheid en eenvoudigheid voor te stellen, gelijk hij terstond daarbij voegt.
 
35)sommigen zijn
Dit zegt hij niet alleen van sommige leraars, die zich vanwege enige uiterlijke welsprekendheid veel lieten voorstaan, en Paulus' eenvoudigheid verachtten; maar ook van dezelven onderwezen zijnde, zichzelven, hoewel hun nog veel ontbrak, voor grote meester hielden, en anderen nevens hen verachten, gelijk in de volgende verzen verklaard wordt.
 
36)niet komen zou.
Namelijk om zulke gebreken te beteren en naar behoren te straffen.
 
37)niet de woorden
Dat is, den roem van welsprekendheid, of van kennis in geestelijke zaken.
 
38)maar de kracht.
Namelijk die zij metterdaad bewijzen in geloof, liefde, en andere Christelijke deugden of gaven, die Gods Geest krachtig werkt; 1 Joh. 3:18.
 
39)het koninkrijk Gods
Dat is, de staat van een Christenmens, of kind Gods, in hetwelk God Zijn rijk opricht; Rom. 14:17.
 
40)met de roede
Dat is, met oefening van straf en tuchtiging; 2 Cor. 10:6.
 
41)in liefde en
Dat is, vriendelijkheid en toegenegenheid. Want anderszins komt ook de straf van een vader uit liefde; Hebr. 12:6.