1)deze bediening
Namelijk niet der letter, noch des doods, maar des geestes en levens, waarvan in het voorgaande hoofdstuk, 2 Cor. 3:6, enz. gesproken is.
 
2)vertragen wij niet.
Of, bezwijken, of blijven niet in gebreke; namelijk niettegenstaande al de zwarigheden, die ons in deze bediening overkomen, gelijk blijkt uit 2 Cor. 4:10. Zie van dit woord ook Luk. 18:1.
 
3)verworpen
Gr. opgezegd, of afgezegd.
 
4)de bedekselen der
Of, de bedekte schandelijkheden; waardoor hij verstaat de uitvluchten, oppronkingen en bedriegerijen der valse apostelen, die hunne predikingen naar de menselijke wijsheid wilden voegen, of naar de genegenheden der mensen, om die te behagen en hun eigen gemak en eer onderwijl met zulke bemantelingen te bevorderen, gelijk de volgende woorden verklaren.
 
5)aangenaam makende
Gr. recommanderende; namelijk dat wij daarin eenvoudig handelen.
 
6)bij alle conscientiën der mensen
Namelijk die oprecht en met verstand oordelen.
 
7)bedekt is, zo
Dat is, duister en vreemd schijnende is.
 
8)de God dezer eeuwD
Dat is, de Satan, die door een rechtvaardig oordeel Gods over de ongelovige mensen zulke heerschappij verkrijgt, alsof hij een god van hen ware, en dien zij als hunnen god dienen. Zie Joh. 12:31; Ef. 2:2, en Ef. 6:12.
 
9)betrale de verlichting
Of, schijne, lichte.
 
10)het beeld Gods is.
Namelijk niet alleen ten aanzien van Zijn goddelijke natuur, zijnde het eeuwige Woord en de wijsheid des Vaders, maar ook ten aanzien dat hij is God geopenbaard in het vlees, door wien Gods heerlijkheid, rechtvaardigheid, genade, wijsheid en macht ons in het Evangelie als in een spiegel worden uitgedrukt. Zie Col. 1:15; Hebr. 1:3.
 
11)gezegd heeft dat
Dat is, bevolen heeft, namelijk in het begin der schepping, wanneer de duisternis de aarde bedekte; Gen. 1:3.
 
12)in onze harten
Namelijk die ook duister en onwetend van nature waren. Hij spreekt hier inzonderheid van de apostelen, door wie dit licht daarna moest verbreid worden onder alle volken.
 
13)geschenen heeft om
Namelijk door Zijn Heiligen Geest.
 
14)in het aangezicht van
Dat is, de heerlijkheid Gods, die in het aanschijn van Mozes blonk en van hem werd bedekt, schijnt nu veel heerlijker in het aanschijn van Christus, en wordt van ons niet bedekt, maar ongedekt voorgesteld voor allen, om dezelven daardoor te verlichten.
 
15)schat in
Namelijk van de kennis der heerlijkheid Gods in het aanschijn van Christus.
 
16)aarden vaten, opdat
Dat is, wij zijn zwakke, verachte en tedere instrumenten in het midden van alle vervolgingen.
 
17)der kracht
Namelijk van dit Woord des Evangelies.
 
18)zij Godes, en niet
Dat is, Gode alleen toegeschreven mag worden, gelijk die alleen uit God is en niet uit ons. Zie 2 Cor. 3:5,6.
 
19)benauwd;
Namelijk alzo dat er geen uitkomst is. Anderszins wordt deze benauwing ook van de gelovige gezegd; Rom. 8:35; 2 Cor. 6:4.
 
20)de doding des
Dat is, het gevaar des doods om Christus' wil. Of, de vervolgingen en benauwdheden tot den dood toe, om Christus' wil en naar het voorbeeld van Christus, en die Christus ook rekent Zichzelven te geschieden, Hand. 9:4, gelijk in 2 Cor. 4:12 wordt verklaard.
 
21)het leven van Jezus
Dat is, de levendmakende kracht van Christus en Zijns Geestes, die zich in onze bediening alhier openbaart en hiernamaals tot onze verlossing ten volle zal openbaren, gelijk ook 2 Cor. 4:12 verklaart. Zie Rom. 8:10,11.
 
22)de dood werkt
Dat is, het gevaar des doods hangt ons gedurig boven het hoofd en werkt in ons door de kracht van Christus tot meerderen ijver tot naarstige uitvoering van onze bediening.
 
23)het leven in
Dat is, maar gij wordt door onzen dienst en al onze verdrukkingen en doodsgevaren in het leven des Geestes meer en meer versterkt, alzo dat zelfs al deze benauwdheden, die ons overvallen, u ten goede komen en tot het leven gedijden.
 
24)denzelfden geest
Dat is, hetzelfde geloof door denzelfden Geest, die alle gelovigen, zo des Ouden als des Nieuwen Testaments, deelachtig zijn; 1 Petr. 1:11.
 
25)Ik heb geloofd,
Dit spreekt David Ps. 116:10, wanneer hij, in vele zwarigheden zijnde, zijn vertrouwen van zijne verlossing heeft betuigd, of wanneer hij, in vele zwarigheden zijnde, het betrouwen, dat hij op God ook in het toekomende had, voor een iegelijk heeft beleden.
 
26)spreken wij ook;
Dat is, belijden en prediken voor een ieder hetgeen wij geloven.
 
27)en met ulieden daar
Namelijk ten uitersten dage, wanneer Christus zal verschijnen op Zijn rechterstoel; Ef. 5:27.
 
28)al deze dingen zijn
Namelijk die ik verhaald heb van de gevaren des doods over ons en van de wonderlijke verlossingen, die God daarop geeft.
 
29)de vermenigvuldigde
Namelijk die Hij bewijst in onze wonderbaarlijke verlossingen tot uwe vertroosting en stichting, en tot verbreiding van Gods eer, door uwe dankzeggingen voor ons.
 
30)uitwendige mens
Gr. de mens buiten; dat is ons lichaam, met onze lichamelijke sterkte, gezondheid en uitwendigen welstand.
 
31)de inwendige vernieuwd
Gr. de mens binnen; dat is de ziel, door Gods Geest vernieuwd zijnde, wordt dagelijks in het midden van deze zwarigheden meer en meer vernieuwd en gesterkt.
 
32)lichte verdrukking,
Gr. het licht, of de lichtigheid onzer verdrukking. Dit zegt de apostel niet, omdat de verdrukking in zichzelve licht is, maar omdat de Heere haar, door de versterking en troost Zijns Geestes, ons licht maakt. Zie Rom. 5:3, en Rom. 8:37.
 
33)die zeer haast
Namelijk gelijk ons leven niet lang is. Want na dit leven worden alle tranen van onze ogen gewist; Openb. 7:16,17.
 
34)werkt ons een gans
Dat is, brengt voort, niet uit enige verdienste, maar uit enkel genade, om Christus' wil; Rom. 8:17,18. Gr. een eeuwig gewicht der heerlijkheid, naar uitnemendheid tot uitnemendheid.
 
35)aanmerken de dingen
Namelijk als op een wit waarnaar wij trachten, gelijk het Griekse woord eigenlijk medebrengt.
 
36)die men ziet, maar de dingen
Dat is, de wereldse eer of oneer, gemakken en ongemakken dezes levens, die wij dagelijks voor onze ogen zien.
 
37)die men niet ziet; want de dingen die men ziet
Namelijk door de ogen des lichaams, dat is, de geestelijke en hemelse heerlijkheid en vreugde, die beloofd is, en die wij geloven en hopen, waarvan hij breder handelt in 2 Cor. 5. Zie Hebr. 11:1.