1)de
Dit zijn de woorden der priesters en der Levietische zangers, wier ambt was God te loven met muziekinstrumenten, gelijk te zien is 1 Kron. 25. Ja, het schijnt dat de Levieten dezen psalm gemaakt hebben.
 
2)rivieren van
In het land van BabyloniŽ zijn vele rivieren, waaronder de Tiger en de Eufraat de voornaamste zijn.
 
3)Babel,
Of, Babylon, de voornaamste stad van Chaldea of Sinear, waar Nimrod geregeerd heeft; Zie de aantekening bij Gen. 10:10. Hierom wordt Babel of BabyloniŽ genoemd het land Nimrods; Micha 5:5. Zie verder van den naam Babel de aantekening bij Gen. 11:9. Maar onder de naam Babel moet men hier verstaan de verscheidene landschappen onder de monarchie van BabyloniŽ behorende.
 
4)daar zaten wij,
Dat is, daar woonden wij, buiten ons vaderland verbannen en vreemd zijnde, in grote droefenis.
 
5)aan Sion.
Te weten, aan de verwoesting van de stad en den tempel van Jeruzalem.
 
6)gehangen
Alzo betuigende dat wij meer tot treuren dat tot spelen of zingen oorzaak hadden en geneigd waren.
 
7)aan de wilgen,
Die gaarne aan den kant der rievieren en wateren wassen.
 
8)die daarin zijn.
Hebr. in het midden van haar; te weten van Babel, of BabyloniŽ. Hij wil zeggen: Wij hebben onze muziekinstrumenten daar gelaten, ja zoveel als ten enenmale verlaten, als geen lust hebbende om dezefve meer te gebruiken; immers hebben wij geen heilige liederen willen zingen noch spelen ter begeerte der goddeloze BabyloniŽrs, die ons gevankelijk hadden weggevoerd.
 
9)de woorden
Dat is, een lied; alzo staat er; woorden van wonderen, Ps. 145:5. Dat is, wonderen.
 
10)van ons begeerden,
Te weten, spotsgewijze en ons honende.
 
11)die
Anders: die ons beroofd hadden.
 
12)ons overhoop
Dat is, onze huizen. Anders: van onze opgehangennen [te weten, harpen] eisten zij vreugde.
 
13)vreugd, zeggende:
De rede zou aldus voller zijn: Zij begeerden van ons woorden der vreugde; dat is, dat wij vrolijk zouden zijn.
 
14)van de liederen
Te weten, van die liederen of psalmen, die men in den tempel placht te zingen en te spelen te ere Gods.
 
15)Wij zeiden:
Dit is het antwoord van het volk IsraŽl, op het verzoek van de BabyloniŽrs, gevende reden waarom zij weigerden enig lied des Heeren te zingen.
 
16)een lied des
Dat is, liederen, die men gewoon is ter ere Gods te zingen, niet tot lust dergenen, die van den waren godsdienst vreemd zijn.
 
17)in een vreemd
Te weten, onder de vijanden der kerk Gods, die gewoon zijn den naam Gods te lasteren. Hebr. in het land eens vreemden; dat is, der vreemdelingen.
 
18)Indien ik u vergeet,
De zin is: Wij zullen ons zingen en spelen sparen, totdat de tijd komt dat Jeruzalem herbouwd wordt en wij wederom in ons land komen, gelijk Gij, Heere, ons dat beloofd hebt; dan zullen wij met onze harten, stemmen en instrumenten vrolijk zingen en U prijzen. Anders: zo mijne rechterhand [u] vergeten zal, verzwijgende de vervloeking. Anders, zo vergete mijne rechterhand [hare kunst van spelen].
 
19)Mijn tong kleve
Te weten, met welke ik gewoon ben mijnen God lofzangen te zingen; dat is, zo moet ik sprakeloos zijn, gelijk Job 29:10; zie ook Ps. 22:16.
 
20)zo ik Jeruzalem
Dat is, zo ik den welstand van Jeruzalem en der kerk Gods niet houd en acht voor mijn hoogste vreugde en blijdschap. Voorts, hoogste. Hebr. hoofd; hetwelk ook voor het hoogste of voornaamste gebruikt wordt, Zie de aantekening bij Exod. 30:23.
 
21)gedenk aan
Te weten, om hen te straffen. De kinderen van Edom; dat is, de Edomieten zijn altijd vijanden der IsraŽlieten geweest, en zij waren de BabyloniŽrs bijgevallen toen Jeruzalem verwoest werd; Ezech. 25:12.
 
22)den dag van Jeruzalem;
Te weten, den dag der verwoesting van Jeruzalem. Dag voor dag der ellende staat ook Ps. 37:13; Ezech. 30:9; Hos. 1:11, enz.
 
23)zeiden:
Te weten, tot de BabyloniŽrs.
 
24)Ontbloot ze, ontbloot
Te weten, de stad en de huizen, die daarin staan; die verstorende en afbrekende tot de fondamenten toe. De Edomieten, vijanden zijnde der IsraŽlieten, gunden hun wel deze verwoesting van Jeruzalem, ja zij hielpen die bevorderen zoveel zij konden. Dit wordt hun verweten, zie Obad. 12: Obad. 13: Obad. 14, enz.
 
25)tot haar fondament toe!
Hebr. tot het fondament in haar; dat is, zolang als er enig fondament in of aan haar is.
 
26)O dochter van
Dat is, gij Babylonische natie, gelijk Ps. 9:15; Jer. 51:33. Of, gij inwoners van BabyloniŽ. Zie de aantekening bij Hoogl. 2:2.
 
27)die verwoest zult
Hebr. gij verwoeste; dat is, die zo zekerlijk zult verwoest worden alsof het nu alreeds geschied ware, dewijl God over u zulks besloten heeft. Of verwoeste; dat is, die waardig zijt en wel verdiend hebt dat gij zoudt verwoest worden, gelijk Ps. 18:4: ik riep den geprezenen Heere aan; dat is, dien Heere, die prijzenswaardig is.
 
28)welgelukzalig
Hij wil zeggen dat een ieder den verstoorder van Babel gelukwensen en grotelijks bedanken zal, dat hij den BabyloniŽrs vergolden heeft hetgeen zij wel verdiend hadden. Zie Jes. 13: ; Jer. 50,51.
 
29)misdaan hebt.
Of, vergolden hebt. Het Hebr. woord wordt genomen voor weldoen en voor kwaaddoen.
 
30)die uw kinderkens
Dat is, die de gestrenge oordelen Gods over u zal oefenen, vanwege uw gruwelijke misdaden. Zie Jes. 13:16, en zie de aantekening bij Ps. 8:3.
 
31)verpletteren zal.
Namelijk alzo, dat de stukken als gruis verstrooid worden.