1)afgoden maken;
Zie boven, Lev. 19:4.
 
2)opgericht beeld
Het Hebreeuwse woord betekent al wat op de wijze van een pilaar opgericht of op een pilaar gesteld werd, ter ere van de afgoden; Exod. 23:24; Deut. 16:22.
 
3)gebeelden steen
Hebreeuws, steen van het beeld, of der afbeelding.
 
4)vrezen;
Zie boven, Lev. 19:30.
 
5)uw regens geven op hun tijd;
Die gij nodig hebt, te weten den vroegen en den spaden regen.
 
6)dorstijd zal u reiken
De zin is, dat de oogst zo overvloedig zou zijn, dat zij al het graan niet zouden kunnen dorsen vóór den wijnoogst, en dat de wijnoogst ook zo overvloedig zou zijn, dat zij den wijn niet zouden kunnen kelderen vóór den zaaitijd; zodat zij van het werk zouden overvallen worden.
 
7)verzadiging toe,
Alzo boven, Lev. 25:19.
 
8)te slapen liggen,
Of, slapen, of nederliggen. Alzo Gen. 19:4.
 
9)zal door uw land niet doorgaan.
Dat is, zal met geen oorlog gekweld worden. Alzo is het woord zwaard voor oorlog genomen; Num. 14:3; 2 Sam. 12:10; Jes. 1:20: Ezech. 30:4. Vergelijk de aantekeningen op Gen. 27:40.
 
10)door het zwaard vallen.
Dat is, door den oorlog vergaan. Alzo in Lev. 26:8, en Num. 14:3; 2 Sam. 3:29; Ps. 78:64; Jer. 20:4.
 
11)Vijf uit u
Een zeker getal wordt hier gesteld voor een onzeker, gelijk onder, Lev. 26:18,26; Gen. 4:15,24, enz.; Num. 14:22; 1 Sam. 18:7; Job 5:19. De zin is hier, dat weinige Israëlieten velen hunner vijanden verslaan zouden.
 
12)Mij tot u wenden,
Of, op u het gezicht hebben; te weten, om u goed te doen.
 
13)oude, dat verouderd is,
Versta dit van de vruchten, die men lang bewaren kan, blijvende smakelijk en bekwaam tot voeding.
 
14)en het oude
Dat is, zulken overvloed zal Ik geven dat de oude vruchten uit de schuren nog niet zullen opgeruimd, noch verteerd zijn, als de nieuwe er in zullen moeten gebracht of verzameld worden.
 
15)vanwege het nieuwe uitbrengen.
Hebreeuws, van het aangezicht des, enz.
 
16)tabernakel
Dat is, Ik wil maken dat mijn genade en woord en godsdienst u steeds bijblijven zullen, opdat ik uw God blijve en gij mijn volk. Vergelijk Lev. 26:12.
 
17)walgen.
Het Hebreeuwse woord betekent iets met grote verfoeiing verwerpen en een afkeer daarvan hebben. Alzo onder, Lev. 26:15,30,43,44.
 
18)wandelen,
Te weten, om u in het geestelijke te onderwijzen, te heiligen en te geleiden ter eeuwige zaligheid, en in het lichamelijke met overvloed van gezondheid, vruchtbaarheid, rijkdom en vrede te zegenen.
 
19)en zal u tot een God zijn,
Zie Gen. 17:7; Ezech. 11:20.
 
20)tot een volk zijn.
Dat is, dat Ik uit genade door den beloofden Messias verlichten, rechtvaardigen en heiligen zal ter eeuwige zaligheid; 1 Cor. 1:30.
 
21)disselbomen van uw juk
De disselboom aan een wagen is het middenhout, waaraan de paarden samen vastgemaakt zijn; of versta, de banden en zelen, waarmede zij aan den disselboom vastgemaakt en gebonden worden. Hierbij wordt vergeleken de dienstbaarheid, die de Israëlieten als een juk in Egypte moesten dragen. Zie deze en gelijke manier van spreken, Jer. 27:2,8, en Jer. 28:2,13,14; idem Nah. 1:13.
 
22)rechtop staan.
Hebreeuws, [met] oprichting; dat is, met opgerichten halze, komende uit een gerust, welverzekerd en mannelijk gemoed.
 
23)en mannelijk gemoed.
Dat is, te maken dat het krachteloos zij, en dat Ik mijne beloften niet volbreng om uw ongeloof en ongehoorzaamheid. Alzo Jes. 24:5.
 
24)over u stellen zal
Te weten, als oversten, die, over u als strenge rechters heersende, u straffen en plagen zullen, om mijn rechtvaardige oordelen tegen u uit te voeren. Vergelijk deze manier van spreken met een gelijke 2 Kon. 8:1, en zie aldaar de aantekeningen.
 
25)de ogen verteren
Zie 1 Sam. 2:33.
 
26)zo gij Mij
Dat is, wanneer Ik zover met mijne straffen zal voortgegaan zijn, en gij door dezelve nog tot mijne gehoorzaamheid niet zult bewogen worden.
 
27)zevenvoudig
Zie boven, Lev. 26:8.
 
28)de hovaardigheid
Dat is, de sterke, waarover gij hovaardig zijt.
 
29)als ijzer maken,
Dat is, droog, zonder regen te geven.
 
30)als koper.
Dat is, hard en onvruchtbaar.
 
31)En uw macht
Dat is, gij zult arbeiden met lichaam, met ziel en met al uwe middelen, om u te helpen; maar het zal ijdele en vergeefse arbeid zijn.
 
32)in tegenheid wandelen zult,
Dat is, met opzet en moedwil u tegen Mij stellen, of Mij als tegenpartijders bejegenen; recht [zoals men zegt] tegen Mij wilt aangaan; verachtende mijne geboden, omdat gij tegen dezelve doorgaans moedwilliglijk zult zondigen. Anders, lichtvaardiglijk, roekelooslijk, zonder zorg, of, achterdenken, omdat zij zichzelven zullen wijsmaken dat hun wel- of kwalijkvaren niet van Mij komt, maar bij geval, en daarom Mij den behoorlijken eerbied en gehoorzaamheid zullen weigeren. Het woordje in wordt Lev. 26:21 en Lev. 26:23 ingevoegd uit Lev. 26:24,40,41.
 
33)u beroven,
Te weten, van uwe kinderen. Zie Ezech. 5:17.
 
34)wegen zullen woest worden.
Te weten, die in uwe landen zijn, die niemand zal durven gebruiken, uit vrees van het wild, verslindend gedierte.
 
35)in tegenheid wandelen;
Zie boven, Lev. 26:21.
 
36)in tegenheid wandelen,
Dat is, u met mijn rechtvaardige straffen en oordelen tegenkomen. Anders, in of, bij geval; te weten, als die geen zorg meer voor u zal dragen, om u wel te doen. Maar zo zal Ik met u handelen, dat alle plagen u als bij ongeluk zullen schijnen te overvallen. Vergelijk Ps. 18:27.
 
37)wraak des verbonds
Dat is, de straf, die gij verdiend zult hebben, omdat gij door uw afval en ongehoorzaamheid mijn verbond zult krachteloos gemaakt hebben. Zie boven, Lev. 26:15.
 
38)staf des broods
Dat is, de kracht van allerlei spijs om te voeden, en voornamelijk des broods, waarop het leven des mensen door den zegen des Heeren steunt gelijk een zwak lichaam op een staf is steunende. Zie deze manier van spreken, ook Ezech. 4:16.
 
39)in een oven bakken,
De zin is, dat er zulk een schaarsheid van brood zal wezen, dat één over voor vele vrouwen genoeg zal zijn, om voor vele huisgezinnen te bakken, waar anders één huisgezin, naar zijn grootte, dikwijls wel één oven alleen behoeven zou.
 
40)bij het gewicht wedergeven;
Dat is, het brood zal zijn gewicht hebben, maar niet zijn kracht naar het gewicht.
 
41)in heetgrimmige tegenheid
Hebreeuws, in hittige gramschap der tegenheid, of, ontmoeting.
 
42)hoogten verderven,
Versta, hoge plaatsen, als bergen en heuvelen, op welke men de afgoden offeranden deed; of de hoge timmeringen der altaren. Zie van deze ook Num. 33:52; Ezech. 6:3.
 
43)zonnebeelden uitroeien,
Het Hebreeuwse woord betekent beelden, die hun naam hadden van hittigheid en warmte, of [zoals men meent] omdat zij in de zon tentoon stonden. Anderen verstaan de huizen en altaren, die ter ere van de zon opgericht waren. Of op welke het vuur als een God werd geëerd. Zie van deze beelden ook 2 Kron. 14:5, en Ezech. 6:4, enz.
 
44)dode lichamen uwer
Alzo noemt hij de afgebroken stukken der afgoden en de rompen derzelve, zoals die verachtelijk daarheen zouden geworpen worden, alzo zouden ook de lichamen der afgodendienaars veracht en de begrafenis niet waardig gehouden worden.
 
45)drekgoden werpen;
Hebreeuws, drekken; dat is, welke door God niet anders dan als mensendrek geacht worden en die ieder daarom billijk als stinkende drek behoorde te verfoeien. De beelden der afgoden worden dikwijls aldus genoemd, om ons van afgoderij als van een afschuwelijke vuiligheid een walging te maken. Zie Deut. 29:17; 1 Kon. 15:12; 2 Kon. 17:12, en 2 Kon. 21:11; Jer. 50:2; Ezech. 6:6, en Ezech. 14:3, en Ezech. 20:7, enz.
 
46)uw heiligdommen verwoesten;
Versta, den tempel, die ook alzo in het getal van velen genoemd wordt Ezech. 21:2. De reden is, omdat deze vele delen had, te weten, het allerheiligste, het heilige en de voorhoven.
 
47)liefelijken reuk
Te weten, die van uwe offerande komt; dat is, uwe offers zullen Mij niet aangenaam zijn. Vergelijk Gen. 8:21; Jes. 1:11,12,13, enz.
 
48)daarin zullen wonen,
Te weten, wanneer gij daaruit verdreven zult zijn. Zie Lev. 26:33.
 
49)een welgevallen hebben,
Dat is, het land zal zijn rust hebben, welke gij hetzelve zult geweigerd hebben tegen mijne wet; Lev. 25:4. Zie Lev. 26:35.
 
50)Ik zal in hun hart
Dat is, Ik zal hun allen moed en kracht benemen en een vrees aanjagen, dat zij zonder nood zullen verschrikt worden.
 
51)gelijk men vliedt
Hebreeuws, de vlucht eens zwaards.
 
52)de een op den ander
Hebreeuws, de man op zijn broeder.
 
53)niet kunnen bestaan.
Hebreeuws, u zal niet zijn, of, gij zult niet hebben de bestendigheid, of opstanding, òf kracht om u op te richten.
 
54)om de ongerechtigheden
Te weten, die zij zullen nagevolgd hebben. Zie Gods dreigement Exod. 20:5.
 
55)Dat Ik ook met hen
Anders, ja Ik zal met hen in tegenheid wandelen en hen in het land hunner vijanden brengen. Immers, dan zal hun onbesneden hart, enz. En Ik zal, enz.
 
56)onbesneden hart gebogen wordt,
Dat is, onboetvaardig, moedwillig, en de zonde van zich niet wegwerpende, maar die bij zich behoudende en voedende. Alzo Jer. 9:26; Ezech. 44:7; Hand. 7:51.
 
57)straf hunner ongerechtigheid
Hebreeuws, ongerechtigheid. Zie boven, Lev. 5:1.
 
58)een welgevallen hebben;
Dat is, zo zij recht bekennen de straf vanwege hun zonden verdiend te hebben, en dienvolgens zich van harte bekeren.
 
59)hunnentwil
Of, van hen.
 
60)om hunnentwil verwoest was,
Of, van hen.
 
61)straf hunner ongerechtigheid
Hebreeuws, ongerechtigheid; als boven, Lev. 26:41.
 
62)hierenboven is dit ook;
Dat is, boven dat Ik hunner gedachtig zal zijn, wanneer zij zich tot Mij bekeren zullen; zo is het, dat Ik ook gedenken zal wanneer zij onder hun vijanden gevankelijk zullen zijn, en nog in onboetvaardigheid steken zullen.
 
63)ten beste gedenken
Hebreeuws, voor henlieden. Vergelijk Ps. 79:8.
 
64)der voorouderen,
Of, der vorigen; dat is, wat Ik met de ouden, te weten, hunne voorvaders, die Ik uit Egypteland leidde, gemaakt heb.