1)een man,
Te weten, de engel, die Christus was, in de gedaante van een man, gelijk blijkt onder Zach. 2:3, en Zach. 1:8. Zie Ezech. 40:3, en 41, 42; Openb. 11:1,2.
 
2)Om Jeruzalem te meten;
Dat is, om te ordineren hoe groot, wijd en breed Jeruzalem wezen zou, hetwelk in het kort zou herbouwd worden; zie Ezra 6:3.
 
3)de engel,
Zie Zach. 1:9.
 
4)met mij sprak,
Of, in mij.
 
5)ging uit;
Te weten, van onder de mirten, waar Hij gestaan had, Zach. 1:8, om nabij met mij te spreken.
 
6)een andere engel
Te weten, een van die geschapen engelen, die achter Christus stonden, zie Zach. 1:8.
 
7)ging uit,
Te weten, uit den hoop der engelen naar de plaats toe, die hij meten zou.
 
8)hij zeide
Te weten, Christus de Heere.
 
9)tot hem:
Te weten, tot dien geschapen engel.
 
10)dezen jongeling aan,
De profeet bedoelt zichzelven, die toen nog een jong man was. Of een jongeling is hier te zeggen een dienstknecht, gelijk dan ook bedaagde personen aldus genoemd worden; Exod. 33:11; Num. 11:27; 1 Kon. 11:28; 2 Kon. 4:12, en 2 Kon. 19:6.
 
11)dorpsgewijze bewoond worden,
Dat is, zonder muren, dewijl men de zeer grote menigte der mensen met geen muren zal kunnen omvangen noch besluiten. Anders Jeruzalem zal de dorpen bewonen; dat is, die van Jeruzalem zullen vanwege de menigte der mensen, ook in de dorpen zich metterwoon moeten begeven. Doch men moet dit verstaan gesproken te zijn van de grote menigte der mensen, die in Christus geloven en zich onder zijn geestelijk rijk begeven zouden, want de algemene kerk zou zich strekken door de ganse wereld; zie Jes. 54:1,2,3, en Jes. 60:4,11.
 
12)der beesten,
Verg. Jer. 31:27.
 
13)een vurige muur rondom;
Dat is, Ik zal hen alzo beschutten dat hunne vijanden hen niet zullen kunnen genaken, en zo er iemand is, die hen zou willen aantasten, die zal als met vuur verteerd en vernield worden. Verg. Jes. 26:1, en Jes. 60:18,19; Jer. 15:20; verg. ook Ps. 125:2, en 2 Kon. 6:17.
 
14)Ik zal tot heerlijkheid wezen
Dat is, Ik zal hun tot eer en heerlijkheid gereiken; Ik zal de burgers en inwoners dier stad of gemeente met vele en grote weldaden vereren en begenadigen.
 
15)Hui, hui,
Of, hei, hei, of, ho, ho, of, o, o. Alzo ook Zach. 2:7.
 
16)vliedt toch
Ene aanspraak aan de Joden, die nog in BabyloniŽ bleven. De zin is: Verlaat haastelijk het tegenwoordige gevaar, en hetgeen den BabyloniŽrs over het hoofd is hangende, en vervoegt u bij Gods gemeente. Zie Jes. 48:20.
 
17)uit het Noorderland,
Dat is, uit BabyloniŽ, hetwelk aan het land van Juda tegen het noorden lagf. Zie Jer. 6:22, en Jer. 16:15.
 
18)want Ik heb ulieden uitgebreid
Of, dewijl Ik ulieden [die als een vogeltje in een kooi zijt besloten geweest] nu uit die Babylonische gevangenschap heb verlost, alzo dat gij in het vrije veld moogt reizen en trekken waarheen het u belieft. Of, gelijk Ik ulieden voordezen in vier winden of gewesten der wereld verstrooid heb, alzo zal Ik u ook weder verzamelen en bij elkander brengen.
 
19)naar de vier winden des hemels,
Dat is, zo wijd als de vier winden strekken. Anders: als de vier winden des hemels of in de vier winden. Verg. Ezech. 17:21.
 
20)ontkomt gij,
De zin is: Verlaat Babel en vervoegt u tot de kerk.
 
21)Naar de heerlijkheid over u,
Dat is, naardat Hij voorgenoemn had u te verheerlijken door de verlossing uit Babel.
 
22)tot die heidenen,
Of, tegen de heidenen, te weten tegen de ChaldeŽn en andere uwe vijanden; alsof hij zeide: Dewijl God heeft begonnen zijne genade ulieden te bewijzen, zo wil Hij voortaan zulks nog meer doen, daarom heeft Hij mij gezonden om ulieden te beschermen voor het geweld uwer vijanden, dat zij u niet beschadigen, noch op den weg, noch tehuis.
 
23)Zijn oogappel aan.
Te weten, des Heeren. De zin is: Die ulieden beledigt of schade aandoet; dat is zoveel alsof hij den Heere zelf beschadigde, hetwelk Hij wreken zal; zie Deut. 32:10; Ps. 17:8, en Hand. 9:4.
 
24)Want ziet,
Of, voorwaar.
 
25)Ik zal Mijn hand,
Dat is, Ik zal hen door mijne kracht tehuis zoeken en kastijden.
 
26)over henlieden bewegen,
Te weten, over, of tegen de heidenen, de BabyloniŽrs en andere volken, die u beroofd hebben.
 
27)hunnen knechten
Te weten, den Joden, die zij gevankelijk hebben gehouden, en die hen tevoren hebben moeten dienen als hun arme onderdanen. Doch versta dit geestelijkerwijze aldus, dat de vijanden der kerk Gods tot Christus bekeerd zijnde, alles wat zij hebben, Christus zullen opofferen.
 
28)Alzo zult gijlieden weten,
Dit zijn nog al de woorden des Heeren Christus. En weten is hier te zeggen, metterdaad of bij ervarenheid bevinden.
 
29)dat de HEERE der heirscharen
Hij wil zeggen: Gijlieden zult weten en verstaan dat Ik de Zoon Gods ben, die tot ulieden gezonden ben om ulieden dit nu tevoren te verkondigen, en ter bestemder tijd in het werk te stellen. Christus, als Middelaar, wordt van zijnen Vader ten beste zijner kerk gezonden.
 
30)Juich en verblijd u,
Dit spreekt Christus tot de gelovige Joden; en dit is de zin alsof Christus zei: Ik zal niet verschijnen in de schaduwen van het Oude Testament, maar lichamelijk; Joh. 1:14; Col. 2:9, en 1 Tim. 3:16.
 
31)vele heidenen
Of volken, of natiŽn. Het woord velen ziet voornamelijk op de tijden der predikatiŽn van de apostelen; zie Jes. 2:2,3.
 
32)te dien dage
Te weten, ten dage van de geestelijke verlossing der kerk door Christus, die door de lichamelijke verlossing van het Joodse volk uit de Babylonische gevangenschap is afgebeeld geworden.
 
33)van u wonen;
O Zion, o mijne gemeente, Ik zal onder u wonen, prediken en wonderen doen.
 
34)dat de HEERE der heirscharen
Dat is, dat Ik die de Zoon Gods ben, van den Vader gezonden ben om ulieden dit te boodschappen en om in het midden van ulieden te wonen, opdat gijlieden met de heidenen mij toegevoegd zijnde, mijn volk zijt.
 
35)Juda
Te weten, de uitverkorenen uit het Joodse volk, de ware Joden, die in Christus geloven zullen.
 
36)erven voor Zijn deel,
Dat is, voor zijn eigen volk hebben en houden, en als zijn eigendom beminnen en bewaren. Anders: dan zal de Heere Juda zijn erfdeel erfelijk bezitten; zie Deut. 32:9.
 
37)in het heilige land,
Hebr. in het land der heiligheid; dat is, in het land Kanaän, afbeeldende de kerk Gods.
 
38)verkiezen.
Zie de aantekening bij Zach. 1:17.
 
39)Zwijg,
Zie Hab. 2:20; Zef. 1:7.
 
40)alle vlees,
Dat is, alle mensen. Zie Ps. 65:3 de aantekening aldaar.
 
41)Hij is ontwaakt
Dat is, Hij heeft zijn goddelijke macht geopenbaard door de verlossing zijner kerk. Anders: als Hij ontwaakt zal zijn, te weten tot verlossing van zijn volk.
 
42)uit Zijn heilige woning.
Dat is, uit den hemel. Zie Deut. 26:15, en Ps. 11:4.