1)Meteg-amma
Dat is, den toom van Amma, of van den elleboog. Het schijnt ganselijk dat hierdoor verstaan wordt de koninklijke hoofdstad der Filistijnen, Gath, die uitdrukkelijk vermeld is 1 Kron. 18:1, en [gelijk sommigen menen] gelegen op een berg genoemd Amma, en hier geheten een toom, omdat zij door hare vastigheid en macht de omliggende plaatsen in bedwang hield, en der vijanden inval belette.
 
2)mat hen met een snoer,
Dat is, hij deelde hun land bij meting, hetwelk men te dien tijde deed met snoeren of koorden, ombrengende bij loting de inwoners van twee delen, maar een volkomen deel latende in het leven. Of, hij deelde het volk in drie gelijke delen bij loting, zo gelijk, alsof zij met snoeren gemeten waren, enz. God had wel bevolen Ammon en Moab [als Loths nakomelingen] te verschonen, Deut. 2:9,19, maar dewijl zij bittere vijandschap tegen Gods volk gepleegd hadden en met de vijanden aanspanden, zo heeft hen David, als zodanig, vijandelijk moeten behandelen. Zie Num. 22:2,3,4, enz., en Num. 24:17, en Num. 25:17,18, en Num. 31:2; Richt. 3:14,21,28,30; 1 Sam. 14;47, en onder 2 Sam. 10:4,7, enz.
 
3)doende hen ter aarde nederliggen;
Uit verachting hen ter aarde nederleggende. Of, hen alzo afmattende, dat zij als ter aarde nederbukten, mat en overwonnen zijnde.
 
4)geschenken.
Tot een teken van onderdanigheid. Alzo onder, 2 Sam. 8:6.
 
5)Hadad-ezer,
Ook genoemd Hadarezer, 1 Kron. 18:3.
 
6)Zoba,
Zie 1 Sam. 14:47. Dit meent men geweest te zijn het gedeelte van SyriŽ, dat Sofene genoemd wordt; komende deze woorden Zoba, of Zova, en Sofene zeer na overeen. Zie ook onder, 2 Sam. 10:6.
 
7)hij heentoog
David, of gelijk sommigen, Hadadezer.
 
8)om zijn hand
Dat is, om zijn macht uit te strekken, enz. Anders, om zijn grenzen te stellen, of herstellen. [Hebreeuws, te doen wederkeren, of weder te brengen] aan de rivier Fraat; dat is Eufraat, welke landpale IsraŽl van God beloofd was, en dienvolgens hem moest toegeŽigend worden. Vergelijk 1 Kron. 18:3, en zie Gen. 15:18, enz.
 
9)wagens af,
Dat is hier ingevoegd uit 1 Kron. 18:4, waar deze historie wordt wederhaald.
 
10)ruiteren,
Versta, [zoals enigen dit nemen] rotten van ruiters, elk rot bestaande uit tien, makende alzo tezamen zeven duizend ruiters, welk getal uitdrukkelijk staat 1 Kron. 18:4. Vergelijk 2 Sam. 10:18.
 
11)alle
Uitgezonderd de honder, die hij behield, gelijk volgt.
 
12)wagenpaarden,
Of, wagens. Zie Joz. 11:6.
 
13)de Syriers van Damaskus
Hebreeuws, Aram; dat is, SyriŽ. Zie Gen. 10:22, en Gen. 22:21, waardoor de SyriŽrs verstaan worden. SyriŽ van Damaskus was wel het voornaamste deel of koninkrijk onder al de gedeelten, landen, provinciŽn of koninkrijken, [waarvan enige verhaald worden, onder, 2 Sam. 10:6], die onder SyriŽ begrepen waren; zijnde tot onderscheiding genoemd SyriŽ van Damaskus, van den naam der vermaarde hoofdstad van dit koninkrijk.
 
14)brengende geschenken;
Gelijk boven, 2 Sam. 8:2.
 
15)behoedde David overal,
Of, gaf David heil, of overwinning; waardoor het Hebreeuwse woord bekwamelijk kan worden genomen in krijgszaken. Alzo onder, 2 Sam. 8;14, en 2 Sam. 22:51, en 2 Sam. 23:10,12; Ps. 20:6; Spreuk. 21:31, enz.
 
16)knechten geweest waren,
Dat is, officieren.
 
17)Betach, en uit Berothai,
Tibehat en Chun genoemd 1 Kron. 18:8.
 
18)Thoi,
Ook genoemd Thou, 1 Kron. 18:9.
 
19)Hamath,
Zie Num. 13:21.
 
20)Joram
Hadoram genoemd, 1 Kron. 18:10.
 
21)welstand,
Hebreeuws, naar vrede; dat is, om hem vriendelijk te begroeten. Zie Gen. 43:27.
 
22)zegenen,
Hem te begroeten en geluk te wensen vanwege de verkregen victorie, dat is [gelijk men zegt] te congratuleren.
 
23)voerde steeds krijg tegen Thoi;
Hebreeuws, was een man der krijgen van Thoï; dat is, hij deed hem steeds den oorlog aan, was zijn vijand en tegenstrijder, die hem niet ongekweld liet. Zie Gen. 9:20, en vergelijk Richt. 12:2; onder 2 Sam. 18:20, en 2 Kron. 35:21; Ps. 41:10.
 
24)zijn hand
Dit is, Joram, de zoon van Thoï, had deze geschenken bij zich, onder zijn handen, gelijk men zegt. Zie gelijke manier van spreken 1 Sam. 9:8; 2 Kon. 5:5, enz.
 
25)in het Zoutdal,
Te weten, maakte hij zich een naam, of, [staande] in het Zoutdal, enz. waarvan zie 2 Kon. 14:7. Dit dal lag aan het zuidelijke einde van de Zoutzee, aan het oostelijke einde van het gebergte der Edomieten of Seïr.
 
26)achttien duizend.
Van de Edomieten, zie 1 Kron. 18:12, waarop 2 Sam. 8:14 past. Vergelijk ook Ps. 60:2.
 
27)David tot knechten;
En zijn nakomelingen, tot den tijd van Joram, Josafats zoon. Zie 2 Kon. 8:22.
 
28)behoedde David overal,
Gelijk boven, 2 Sam. 8:6.
 
29)deed aan zijn ganse volk
Hebreeuws, was doende.
 
30)recht en gerechtigheid.
Zie Gen. 18:19.
 
31)over het heir;
Dat is, generaal krijgsoverste.
 
32)kanselier.
Zie 1 Kon. 4:3.
 
33)Zadok,
Van Aärons linie, door Eleazar, 1 Kron. 6:4,8, en 1 Kron. 24:3. Zie van dezen onder 2 Sam. 15:24, en 2 Sam. 20:25; 1 Kron. 16:39, en 1 Kron. 24:3, en 1 Kron. 29:22; idem 1 Kon. 1:8,32,38, en 1 Kon. 2:35.
 
34)Achimelech,
Van Aärons linie, door Ithamar en Eli, 1 Kron. 24:3.
 
35)priesters;
Van de ordeningen der priesteren zie Num. 3:32, en 2 Kon. 23:4.
 
36)schrijver.
Zie 1 Kon. 4:3.
 
37)Krethi en de Plethi;
Over welke Benaja overste was. Zie 2 Sam. 20:23; 1 Kron. 18:17. Van Krethi en Plethi, zie 1 Kon. 1:38.
 
38)prinsen.
Of, hoofdofficieren. Van het Hebreeuwse woord [dat anders gemeenlijk priesters betekent], zie Gen. 41:45. Hier kan het geen priesters betekenen, omdat Davids zonen uit den stam van Juda waren, niet uit den stam van Levi. Dit woord wordt 1 Kron. 18:17 aldus verklaard: Davids zonen waren de eersten aan de hand des konings, of den koning ter hand, gelijk men zegt.