1)zeide de HEERE tot Aäron:
Om het volk de vrees [waarvan in het laatst van het Num. 17: gesproken is] te benemen, en een middel aan te wijzen, waardoor voorgekomen mocht worden, dat zulk een onheil hun na dezen niet meer zou overkomen.
 
2)ongerechtigheid des heiligdoms;
Dat is, de straf van hetgeen aan het heiligdom en de ceremoniën van dien misdaan wordt; daarom zult gij toezien dat ieder blijve binnen de perken van zijn dienst, anders zult gij daarvoor instaan. Zie Lev. 5:1.
 
3)de ongerechtigheid van uw priesterambt.
De straf van hetgeen aan het priesterambt misdaan wordt, wanneer gij u daarin niet wel gedraagt, of toelaat dat een vreemde in uw ambt treedt en zich daaraan vergrijpt.
 
4)getuigenis.
Zie boven, Num. 17:4.
 
5)zo zij als gijlieden.
Hebreeuws, ook zij, ook gijlieden; te weten, wanneer gij dat niet voorkomt, of door onachtzaamheid toelaat, of overziet.
 
6)een vreemde zal tot u niet naderen.
Die niet is van de stam van Levi, zal u niet mogen dienen.
 
7)verbolgenheid meer zij
Versta, des HEEREN; dat is al zulke straffen of plagen, als er tevoren van God zijn afgekomen over Korach en al zijn medeplichtigen.
 
8)zij zijn ulieden een gave,
Of, zij zijn ulieden een gave, of geschenk, gegeven den HEERE, of des HEEREN; dat is, zij zijn u ten dienste geschonken, en alzo overgegeven om den HEERE te dienen.
 
9)den HEERE,
Anders, voor den Heere.
 
10)voorhang is,
Waardoor het heilige van den voorhof onderscheiden wordt.
 
11)van een geschenk;
Dat is, dat gij met uw linie tot het hogepriesterambt voor anderen zijt verkoren en dat bedienen zult, is een loutere genadegave van Mij, gelijk Ik ook den Levieten het hunne geschonken heb; noch gij, noch zij hebben het verdiend. Alzo is ook het geestelijke, dat hierdoor voorgebeeld en beduid was; te weten, onze gemeenschap met onzen hogepriester Jezus Christus, mitsgaders zijn verdiensten en zaligmakende weldaden, een loutere genadegave des HEEREN; Jes. 9:5; Rom. 3:24, en Rom. 8:32, en Rom. 11:35; Ef. 2:7,8,9, enz.; 2 Tim. 1:9; 1 Petr. 2:9,10; 1 Joh. 4:10; Openb. 1:5,6.
 
12)vreemde, die nadert,
Die niet is van Aärons linie, en zich het priesterambt wil aannemen. Zie boven, Num. 16:40, en 2 Kron. 26:19.
 
13)hefofferen,
Zie boven, Num. 5:9.
 
14)heilige dingen
Hebreeuws, heiligheden. Zie Lev. 5:15.
 
15)om der zalving wil,
Dat is, omdat gij tot dit heilig ambt gezalfd zijt. Zie Lev. 8:12, enz.
 
16)eeuwige inzetting.
Tot de komst van den Messias. Zie Gen. 13:15, en Gen. 17:7.
 
17)heiligheid der heiligheden,
Zie Lev. 2:3.
 
18)vuur:
Dat is, wat geen branfoffer is, of geordineerd om met vuur geheel op het altaar verbrand te worden, maar wat van de vuuroffers overblijft, enz.
 
19)heiligheid der heiligheden zijn.
Dat is, gij en uw zonen zult het voor een zeer heilig ding houden. Anders, een heiligheid der heiligheden, het zal uwe en uwer zonen zijn; dat is, omdat het een zeer heilig ding is, zult gij en uwe zonen dat hebben.
 
20)allerheiligste zult gij dat eten;
Het zij binnen in het heilige, of buiten nevens het brandofferaltaar, dat zelf een heiligheid der heiligheden genoemd wordt; Exod. 29:37. Zie wijders Lev. 6:16,26, en Lev. 7:6, en Lev. 8:31, en Lev. 14:13. Deze plaats wordt het heilige der heiligen, of het allerheiligste, of zeer heilige genoemd in vergelijking van den gansen voorhof, waar de gemeente bijeenkwam. God heeft gewild dat de priesters dit alles hier zouden eten, om de heiligheid dezer offeranden te tonen, en de priesters [die niet voor Gods aangezicht als zijn gasten aten] van alle overdaad en onmatigheid af te houden. Wat nu in hun private huizen mocht gegeten worden en door wie, daarvan zie Num. 18:11,13,19.
 
21)het beste van de olie,
Hebreeuws, al het vette der olie; en zo in het volgende, en onder, Num. 18:29,30,32. Zie Gen. 45:18.
 
22)verbannene in Israël
Zie Lev. 27:28.
 
23)opent, van alle vlees,
Hebreeuws, alle opening der baarmoeder. Zie Exod. 13:2,12,13,15, en Num. 3:12.
 
24)ganselijk lossen;
Hebreeuws, zult gij lossende lossen; dat is, ganselijk laten lossen, en alzo moet men in de volgende verzen door lossen verstaan: laten lossen.
 
25)oud lossen,
Hebreeuws, van een zoon van een maand.
 
26)schatting,
Die gij naar mijn bevel doen zult, gelijk blijkt in het volgende.
 
27)het geld van vijf sikkelen,
Of, zilver van vijf sikkelen.
 
28)sikkel des heiligdoms,
Zie Gen. 20:16, en Gen. 23:15.
 
29)twintig gera.
Zie Lev. 27:25.
 
30)heilig;
Hebreeuws, heiligheid; dat is, een heilig ding.
 
31)beweegborst,
Zie Lev. 7:34.
 
32)rechterschouder,
Of, achterbout.
 
33)tot een eeuwige inzetting;
Met deze en de volgende woorden heeft God alle murmurering, tegenspraak en krakeel onder de Israëlieten willen voorkomen en bedwingen.
 
34)zoutverbond zijn,
Dat is, gedurig en bestendig, gelijk de dingen die gezouten zijn, lang duren en voor vervuiling of verrotting bewaard zijn. Zie Lev. 2:13, en 2 Kron. 13:5.
 
35)deel en erfenis,
Vergelijk Deut. 10:9.
 
36)En zie,
Of, en aangaande de kinderen van Levi, zie Ik heb hun, enz.
 
37)tienden in Israël ter erfenis gegeven,
Zie Lev. 27:30.
 
38)om zonde te dragen
Dat is, om zich schuldig te maken en straf op zich te laden. Zie boven, Num. 18:1, en onder, Num. 18:32.
 
39)sterven.
Gelijk Korach en den zijnen gebeurd is. Zie boven, Num. 16.
 
40)Levieten,
Hebreeuws, Levi.
 
41)hun ongerechtigheid dragen;
Dat is, zij zelf de straf dragen, wanneer zij misdoen in hun dienst. Zie boven, Num. 18:1.
 
42)als koren van den dorsvloer,
Dat is, het zal geacht worden en zo aangenaam zijn, alsof gij eigen land hadt en van deszelfs vrucht [gelijk de andere stammen], uw tienden opofferdet.
 
43)perskuip.
Wijnpers en oliepers. Zie Joël. 2:24.
 
44)gaven
Dat is, van alle tienden, die u gegeven worden.
 
45)alle hefoffer
Dat is, allerlei.
 
46)het beste van die,
Hebreeuws, vette; gelijk boven, Num. 18:12, en in Num. 18:30.
 
47)heiliging daarvan.
Dat is, door welk deel uw tienden geheiligd worden, alzo dat gij die met vrije conscientie nuttigen moogt. Zie onder, Num. 18:32. Anders, zijn heilig deel ervan.
 
48)als een inkomen des dorsvloers,
Zie boven, Num. 18:27.
 
49)dragen,
Zie boven, Num. 18:1,22.
 
50)beste daarvan offert;
Hebreeuws, vette; gelijk boven, Num. 18:12. Zie aldaar.