1)last van het woord des HEEREN
Dat is, een lastige en bezwaarlijke profetie, of voorzegging, die het land Chadrach overkomen zou; zie Jes. 13:1 de aantekening aldaar.
 
2)over het land
Of, in, of tegen.
 
3)Chadrach
Het schijnt dat dit land Syrië betekent, dewijl hier straks Damaskus bijgevoegd wordt, zijnde de hoofdstad van Syrië. Enigen menen dat Chadrach de naam is van een afgod, welken de Syriërs eerden. Anderen vertalen het woord van het land der eer, of derheerlijkheid, of van het heerlijke land; anderen: van het land dat rondom u ligt, o Juda.
 
4)Damaskus,
Hebr. Dammesek. Anders: ofschoon Damaskus zijne rust is.
 
5)deszelfs rust;
Dat is, waar het zich op verlaat. Of, alhoewel het zich op Damaskus verlaat en daarop gerust is. Anderen: maar Damaskus zal zijne, te weten de rust van den last zijn; dat is, het zal Damaskus ook op het laatste nog treffen. Anderen: en Damaskus zal zijne rust zijn; dat is, Gods toorn zal op Damaskus rusten; dat is, die stad alzo weinig verschonen gelijk als de rest.
 
6)de HEERE
Hebr. den Heere is een oog; dat is, de Heere heeft een oog over alle andere mensen in wat land die zijn, zowel als over de Joden. En versta hier door het oog des Heeren zijne voorzienigheid, dat is de overal-tegenwoordige kracht des Heeren, waardoor Hij den hemel en de aarde regeert, met alles wat daarin is.
 
7)Hij
Te weten, de Heere.
 
8)Hamath
Zie Num. 13:21.
 
9)met dezelve
Te weten, oog. Anders: Hamath zal dezelve bepalen; dat is, Hamath zal aan de grenzen daarvan liggen. Zie Joz. 19:35. Anders: door dezelve, te weten rust van den last.
 
10)bepalen;
Dat is, Hij zal de Syriërs ordineren hoe wijd en hoe ver zij zullen gaan en staan, ten beste van zijne kerk. Anderen nemen het aldus: Ook zal die [last] Hamath bepalen. Het is dezelfde zin.
 
11)zij
Te weten, Tyrus, dat is, de inwoners van tyrus, alsook de Sidoniërs.
 
12)zeer wijs is;
Naar hunne mening. Zie Ezech. 28:3 de aantekening aldaar, enz.
 
13)als stof,
Dat is, in zeer groten overvloed. Verg. 1 Kon. 10:27, en 2 Kron. 9:27; zie ook Ps. 78:27.
 
14)uit het bezit stoten,
Of, arm maken, daar zij tevoren de rijkste en voortreffelijkste was.
 
15)Hij zal haar vesting
De zin is: Of wel de Tyriërs menen dat zij onwinbaar zijn, ten aanzien dat zij rondom in en aan de zee gelegen zijn, zo zullen zij nochtans Gods oordeel niet ontgaan; maar zullen door het vuur verteerd worden. Dit is geschied door Alexander den Grote, gelijk Curtius lib. 4, en Doid. Siculus lib. 17 getuigen. Enigen verstaan hier door hare vesting haar sterke en machtige scheepssterkte.
 
16)Askelon zal het zien,
Dat is, als Askelon den ondergang van Tyrus zien zal, zo zal het vrezen. Askelon en de andere steden, die hier meer genoemd staan, lagen in der Filistijnen land, en worden door dezelve de Filistijnen zelf verstaan.
 
17)grote smart hebben,
Als ene vrouw, die in barendsnood is.
 
18)waarop zij vertrouwden
Dat is, waar zij zich op verlieten, te weten de stad Tyres, die zij voor onwindbaar hielden.
 
19)hen
Dat is, hen in hunne hoop bedrogen heeft. Want Alexander de Grote heeft de stad Tyrus ingenomen en verheerd. Zie een gelijk voorbeeld Jes. 20:5,6.
 
20)de koning van Gaza
Dat is, de vorst. Want het land der Filistijnen was in vijf vorstendommen afgebeeld.
 
21)zal vergaan,
Dat is, daar zal geen vorst of koning meer te Gaza zijn.
 
22)de bastaard
Dat is, een vreemde uitlandse koning, met allerlei vreemd ongebonden en ongeacht volk, die zullen de huizen, hoven en akkers bezitten.
 
23)wonen,
Te weten, als heer en meester van die stad.
 
24)den hoogmoed der Filistijnen uitroeien.
Hovaardij, pracht, heerlijkheid; dat is, hetgeen waar zij zich op verhovaardigen. Verg. Lev. 26:19.
 
25)Ik zal zijn bloed
Te weten, nadat Ik hen zal gestraft of getuchtigd, en tot mijn volk zal aangenomen hebben, dat zal Ik hem [te weten de Filistijn] reinigen van zijne zonden, inzonderheid van de doodslagen, welke zij begaan hebben. Hebr. bloeden. Hier belooft God dat Hij ook de heidenen tot zijn volk zal aannemen en in zijne kerk inlijven.
 
26)zijn verfoeiselen
Versta, de afgoden en hunne offeranden.
 
27)van tussen zijn tanden;
Dat is, Ik zal maken dat zij er niet meer van spreken zullen, Ps. 16:4. Of, Ik zal maken dat zij het vlees, hetwelk hunnen afgoden geofferd is, niet meer eten zullen.
 
28)hij ook
Te weten, de Filistijn, het Filistijnse volk. Of, hij ook; dat is, niet alleen het gemene volk, maar ook de koning zelf.
 
29)onzen God overblijven;
Dat is, tot Gods volk en gemeente der gelovigen aangenomen worden. Zie Zach. 8:23.
 
30)als een vorst in Juda,
Of, als een leidsman; dat is, zij zullen in Gods kerk in groot aanzien wezen en anderen in godzaligheid voorgaan en een voorbeeld zijn.
 
31)en Ekron als de Jebusiet.
Dat is, die van Ekron zullen ook te Jeruzalem, te weten in het geestelijke Jeruzalem wonen, gelijk eertijds de Jebusieten in de stoffelijke stad Jeruzalem gewoond hebben, en de Jebusieten zullen ook tot Gods volk aangenomen worden.
 
32)rondom
Of, omtrent, of, bij mijn huis; te weten, door mijne engelen; Ps. 34:8, en Ps. 121:3,4, en Ps. 124:1,2,8.
 
33)Mijn huis legeren,
Dat is, rondom mijne kerk; 1 Tim. 3:15.
 
34)het heirleger,
Te weten, vanwege het heirleger of het kreigsvolk van den vijand, opdat hij mijn huis niet aantaste of beschadige, als het over en weder loopt. Zie Zach. 2:5.
 
35)de drijver
Dat is, de vijand.
 
36)door hen doorga,
Te weten, mijne huisgenoten, de gelovigen. Versta dit van een geestelijke verlossing van de strengheid der wet.
 
37)het met Mijn ogen
Te weten, mijn huis.
 
38)aangezien.
Versta hier, een vriendelijk en genadig aanzien. Zie Deut. 12:13. Verg. Exod. 3:7; Hand. 7:34.
 
39)gij dochter Sions!
Dat is, gij volk van Jeruzalem, ja gij volk Gods, zo Joden als heidenen.
 
40)uw Koning
Te weten, Christus Jezus.
 
41)zal u komen,
Tot uw best, tot uwe hulp; zie Jes. 62:11, enz.; Matth. 21:5.
 
42)Hij is een Heiland;
Of, verlosser, die al zijne uitverkorenen verlossen zal uit het geweld des duivels, van den dood en van al hunne vijanden. Anders: die met heil voorzien is; of behouden is, te weten uit zijn lijden, door zijn eigen goddelijke kracht, om zijne kerk zalig te maken. Verg. Jes. 53: 8; Hebr. 5:7.
 
43)arm,
Slecht, verachtzaam, in de gedaante van een knecht, Filip. 2:7, enz.
 
44)en op een veulen,
Of, namelijk.
 
45)een jong der ezelinnen.
Dat is, hetzelfde wat Hij straks gezegd heeft; zie Matth. 21:5; Joh. 12:14.
 
46)Ik zal de wagens
Dat is, Ik zal mijne kerk vrede geven, alzo dat zij noch krijgswagens, noch paarden, of andere wapenen meer zal behoeven, de heidenen met de kerk van Christus verzoend zijnde; zie Jes. 2:2,4; Hos. 2:17; Hand. 10:34, enz.; Ef. 2:17.
 
47)Efraim uitroeien,
Onder den stam van Efraïm verstaat Hij als de tien stammen van Israël, en door dezelve zijne kerk.
 
48)uit Jeruzalem;
Dat is, uit den stam van Juda.
 
49)vrede spreken;
Dat is, vrede leren, namelijk door de predikatie van het heilg Evangelie zal Hij den vrede of verzoening met God verkondigen.
 
50)zal zijn van zee tot aan zee,
Dat is, zij zal zich strekken; zie Ps. 2:8.
 
51)de rivier tot aan de einden der aarde.
Versta hier, de rivier Frath, of Eufraat, en ziet Ps. 72:8 de aantekening aldaar, en Exod. 23:31. Door deze plaatsen, bij de Joden bekend, moet men ook andere meer verstaan, ja de mening is dat de heerschappij van Christus zich zou uitbreiden over de ganse aardbodem.
 
52)o Sion!
Dat is, o mijn volk, mijne kerk. Dit is hier, klaarheidhalve, bijgevoegd uit Zach. 9:9.
 
53)door het bloed uws verbonds,
Of, in. De zin is: In of door de kracht van het bloed van Jezus Christus, waarmede Ik het verbond, met u ingegaan, bevestigen zal, heb Ik, of zal Ik uwe gavangenen, die met de banden der zonden gebonden zijn, verlossen uit den kuil, dat is, uit het geweld der hel en des duivels, waaronder zij anders hadden moeten versmachten in een geestelijken dorst, door het gevoel van den zwaren toorn Gods, die op hen lag.
 
54)tot de sterkte,
De Joden, die nog in Babel gebleven waren, worden genodigd naar de stad en den tempel van Jeruzalem zich te begeven. Doch tegelijk wordt hier te kennen gegeven dat al degenen, die de verlossing, welke God door Christus beloofd heeft, wensen deelachtig te worden en voor des duivels geweld en listen beschut en beschermd te zijn, zich tot de kerk Gods begeven moeten, welke is de rechte hemelse Jeruzalem.
 
55)gij gebondenen,
Hebr. gij gebondenen der hoop, of der verwachting; dat is, gijlieden wien de hoop gegeven is, of die de hoop hebt dat gij van uwe banden zult verlost worden.
 
56)ook heden verkondig Ik
Gelijk Ik het dikwijls vóór dezen tijd verkondigd heb, alzo verkondig Ik het nu ook.
 
57)dat Ik u dubbel zal wedergeven;
De zin is: Ik zal u veel grotere gaven geven dan de verlossing uit de Babylonische gevangenschap is, namelijk geestelijke weldaden, als daar zijn vergeving der zonden, vernieuwing van het gemoed door den Heilige Geest en een eeuwig leven.
 
58)Als Ik Mij Juda
Hier wordt het volk Gods schut en scherm beloofd tegen de vijanden, die hen bevechten en bestrijden zouden, doch alzo, dat het niet zonder strijd en gevecht afgaan zou, gelijk zulks gebleken is in de oorlogen, die de Macchabeën tegen de koningen van Azië en Syrië gevoerd hebben.
 
59)gespannen,
Hebr. getreden; want de voetbogen werden getreden als men ze spande. Anderen vertalen de eerste woorden van dit vers aldus: Nadat Ik mij Juda [als] een boog zal gespannen en Efraïm [als een pijlkoker] zal gevuld hebben.
 
60)zal gevuld hebben;
Te weten, met pijlen, om tegen de vijanden te strijden.
 
61)o Griekenland!
Te weten, tegen de nakomelingen van Alexander den Grote, de koningen in Azië en Syrië, tegen welke God de Heer de Joden wonderbaarlijk beschut en bescherm heeft. Zie de boeken der Macchabeën en de geschiedenissen van Josefus.
 
62)u gesteld zal hebben
O Zion.
 
63)over henlieden verschijnen,
Te weten, over de Joden. Anderen, over Juda en Efraïm. Anderen, tegen hen, te weten, de Grieken.
 
64)Zijn pijlen
Hebr. zijn pijl.
 
65)uitvaren als een bliksem;
Te weten, uit den hemel, tegen de vijanden van zijn volk.
 
66)met stormen uit het zuiden.
Of, als een onweder. De zin is: Hij zal zich met zulk ene onstuimigheid op de vijanden der kerk werpen, gelijk de stormen, die uit het zuiden komen; zie Jes. 21:1 de aantekening aldaar, en verg. Joz. 10:11, en 2 Sam. 5:24.
 
67)zal hen beschutten,
Te weten, de Joden, strijdende tegen de Grieken.
 
68)eten,
Dat is, zij zullen hunne goederen met vrede en met vreugde genieten, nadat hunne vijanden zullen verdelgd zijn.
 
69)de slingerstenen
Dat is, de vijanden, die met slingerstenen op hen geworpen hebben. Anderen zetten deze woorden aldus over: En zij zullen hen [met] slingerstenen tenonder brengen. Eertijds plachten de krijgslieden niet alleen met pijlen, maar ook met slingers tegen elkander te vechten; zie Richt. 20:16.
 
70)een gedruis maken als de wijn,
Dit woelen of rumoer maken zou uit een heilige vreugde ontstaan.
 
71)zij zullen vervuld worden,
Dat is, zij zullen overvloed hebben van allerlei goederen, gelijk het bekken, hetwelk bij het altaar placht te staan, vol bloed van het geslachte vee was, en gelijk men al de hoeken van het altaar met hetzelfde bloed placht te begieten of te besprengen, Lev. 3:2,8,13, en Lev. 7:2. Geestelijkerwijze dit genomen zijnde is het te zeggen: Zij zullen God danken voor de weldaden, die zij van Hem ontvangen zullen. Verg. Ef. 5:18,19,20.
 
72)behouden,
Of, verlossen, of heil verschaffen, of zaligmaken, als zijnde de herder van zijn volk; zie Ps. 100:3; Joh. 10.
 
73)gekroonde stenen
Dat is, kolommen, of gedenkpilaren met kransen en kronen versierd. Anderen nemen het in deze zin: Want zij zullen op de aarde verheven worden als stenen der kronen; dat is, gelijk als kostelijke edele stenen, die de koningen in hunne kronen dragen. Hebr. stenen der kroon.
 
74)in Zijn land,
Te weten, in het Joodse land, hetwelk het land Gods en het heilige land genoemd wordt.
 
75)als een banier,
Tot een teken van overwinning, die God zijn volk over hunne vijanden verleend had, of verlenen zou.
 
76)zijn
Te weten, des Heeren; of hare, te weten der kerk.
 
77)zijne schoonheid wezen!
Te weten, des Heeren; of hare, te weten der kerk.
 
78)goed wezen
Dat is, zijne gelukzaligheid. De zin is: Hoe grotelijks zal de Heere zijne kerk zegenen, die vervullende met eer en met heerlijkheid!
 
79)zijne schoonheid wezen!
Te weten, des Heeren; of hare, te weten der kerk.
 
80)Het koren zal de jongelingen,
Dat is, God zal hun overvloed van koren en van wijn geven, waarover zich de jonge lieden zullen verheugen en vrolijk zijn. Verg. Jes. 9:2. Verg. ook Jer. 48:33.
 
81)sprekende maken.
Of, overvloedig vrucht doen voortbrengen, te weten, de vrucht der lippen. Verg. Jes. 57:19.